“Hier volgt een bericht voor de reizigers. Het Centraal Station wordt momenteel ontruimd wegens een bommelding. Deze trein stopt in Antwerpen Berchem. Er rijden geen treinen naar Nederland. Momenteel zijn er ook geen bussen beschikbaar.”
Even was het stil in de overvolle trein maar toen sloeg de paniek toe. Mensen gingen bellen, spraken door elkaar en klampten zich vast aan de conducteur.
Ik zag de angst in de ogen van het meisje tegenover mij. Ik had haar al de hele reis stiekem gadegeslagen. Gekeken hoe zij totaal van de wereld was, diep meegevoerd door het boek in haar slanke vingers. Hoe zij haar benen wisselend kruiste na een pagina of tien.
Ik pakte in een opwelling haar hand en zei: “Centraal is zeker vijf kilometer van Berchem verwijderd. We zijn hier veilig”.
Ze keek me aan en vroeg: “Kom jij ook uit Nederland?
“Ja, maar ik woon in België. Ik studeer in Gent en woon op kamers in Antwerpen. En jij?”|
“Ik woon in Den Bosch en loop stage in het ziekenhuis van Brugge. Hoe moet ik nu naar huis?”
De trein stopte en we stonden op.
“We vinden er wel wat op, blijf maar dicht bij mij” zei ik beschermend.
Ik pakte mijn weekendtas uit het bagagerek en het meisje trok haar tas schuin over haar schouder.
De mensen stonden al in het gangpad, iedereen wilde zo snel mogelijk de coupé verlaten. Mensen hadden geen geduld en duwden elkaar in de verdrukking. Wij gingen even terug zitten, lieten iedereen eerst maar uitstappen. De trein zou toch niet verder rijden dus waarom dat gestress.
Terwijl we het station binnenliepen klonken er opeens een paar harde knallen. Paniek brak uit. Ik gooide me over het meisje op de grond, beschermend met mijn tas boven ons hoofd. Gegil en gekrijs galmde door de hal. Een dingdong weerklonk door de luidsprekers. “Geen paniek, er zijn enkel wat ballonnen geklapt. Niets aan de hand. Wij verzoeken u het station rustig te verlaten”.
Ik stond op en hielp het meisje omhoog. Ze beefde over haar hele lichaam. Haar ogen waren zwart van de uitgelopen mascara. De reizigers om ons heen renden alle kanten op. Buiten klonken sirenes van politieauto’s. Mijn hart klopte in mijn keel en mijn ademhaling ging gejaagd. Rustig blijven, maande ik mezelf.
“Kom, we moeten hier weg. Ik woon hier vlak bij.”
Ik pakte haar hand en trok haar mee het station uit. We staken de straat over, om ons heen renden mensen de weg op. Ze keken niet eens naar het verkeer.
Buiten was het chaos. Taxi’s stonden in een rij en daarnaast schoven auto’s aan om gestrande familieleden of vrienden op te halen. De taxi’s konden niet eens meer van hun plaats af komen en claxonneerden onafgebroken.
We renden het tunneltje in, onder het spoor door en tien minuten later opende ik de voordeur. De houten trap kraakte toen ik haar voor ging naar mijn appartement op de eerste verdieping. Toen ik de deur openmaakte naar mijn tweekamer appartementje voelde ik de verantwoordelijkheid die mij gesterkt had van me afglijden en voltrok zich heel even een doemscenario in mijn op hol geslagen gedachten. Ik leunde met mijn ogen dicht tegen de muur en haalde diep adem. Toen voelde ik haar zachte lippen, zout van de tranen. Ze kuste me eerst zacht maar al snel werd de kus ruw, wild en ongeremd. Ik beantwoordde de kus alsof mijn leven ervan afhing. Ze rukte aan mijn leren jack. “Uit” lispelde ze tussen het kussen door. Koortsachtig vlogen haar handen over mijn lichaam. Mijn kleding moest uit, dat was duidelijk. In een mum van tijd waren we naakt en nam ik haar ruw tegen de muur van de hal van het appartement. We gedroegen ons al halve wilden. Ik proefde nog steeds zout. Ik opende mijn ogen en zag de tranen over haar wangen bungelen.
Ik hield meteen in. “Doe ik je zeer, moet ik stoppen?”
“Nee ga door” hijgde ze, “laat me voelen dat ik leef.” Meer aansporing had ik niet nodig.
Even later lagen we in bed. Ik weet niet meer hoe we er beland waren.
“Ik denk dat je vannacht beter hier blijft slapen” zei ik met mijn lippen in haar bruine lange lokken.
Nog nooit had ik zo intens de liefde bedreven. En dat met iemand die ik niet kende, waarvan ik de naam niet eens wist. Zouden we elkaar na deze nacht ooit terugzien of zou het hierbij blijven.
Was het slechts een daad van twee mensen in levensgevaar? Ik viel in slaap, gerustgesteld door het warme zachte vrouwenlichaam dat tegen me aan lag en haar zachte ademhaling.
Recente reacties
Archieven