Archives for december 2013

Het lot

 

bedelaar

Geen Kerst- maar Oudejaarsverhaal…

 

 

 

 

Anne zette de zware boodschappentassen even op de grond. Ze balde haar gevoelloze vingers tot een vuist en vervloekte de hufter die haar fiets had gestolen. Ze kon het nog altijd niet geloven. Ze was de winkel uitgelopen naar haar fiets en vond alleen nog het kettingslot rond de paal waar ze eerder die ochtend haar nieuwe Batavus aan had vastgelegd. De zware stalen schakelketting lag op de grond, opengeknipt. Het hangslot was nog gewoon dicht. Op klaarlichte dag had gewoon iemand met een betonschaar dat fietsslot opengeknipt en niemand had alarm geslagen. De fiets was nog maar een maand oud. Ze had hem gekocht met de fietsregeling via haar werk. Sinds de scheiding had ze geen auto meer, die was van haar ex. Dat zij iedere dag de kinderen naar school moest brengen terwijl hij met de trein naar zijn werk ging, boeide hem niet. Hij gunde haar de auto gewoonweg niet.

Een koude windvlaag bracht Anne weer terug op het winkelcentrum. Ze bukte zich om de volle Albert Hein tassen weer op te tillen. De flessen Cola en Kidibul kinderchampagne wogen behoorlijk door. Maar ja, wie had kunnen weten dat ze te voet naar huis moest lopen. Die tassen aan het fietsstuur was nog te doen geweest. Anne schrok op van een harde knal en keek naar rechts waar het geluid vandaan leek te komen. Een groepje jongeren was al rotjes aan het afsteken. Ze hadden hun rugzakken bij elkaar gegooid en stonden in een steegje tussen twee stenen muren waar de echo goed bleef hangen. Ze hadden zoveel vuurwerk dat het om middernacht nog niet op zou zijn.

Anne stopte bij de oliebollenkraam. Er stond een lange rij maar dat vond ze niet zo erg. Zo kon ze nog even rusten. Het was ook stom geweest om haar mobiele telefoon thuis te laten. Anders had ze een vriendin kunnen bellen om haar te komen ophalen. De kinderen waren bij Johan maar zouden tegen zessen naar haar komen om samen oudjaar te vieren. Johan ging stappen, dat was haar geluk want het was eigenlijk niet haar weekend.
De wachtende mensen stonden te mopperen dat het zo lang duurde. Anne stoorde zich eraan. Een eindje verderop zat een oude man te bedelen. En hier stond iedereen in warme merkkleding en op Uggs of andere duur uitziende laarzen te zeuren omdat ze moesten wachten op vers gebakken oliebollen. Ze moesten zich schamen. Anne hoorde het gesprek aan tussen twee vrouwen over de hockey en geroddel over moeders van andere teamgenoten van hun ‘perfecte dochters’. De rij ging langzaam vooruit en toen Anne aan de beurt was, werd er net een verse, warme lading oliebollen uit het vet geschept en op de serveerbladen achter de glazen vitrine gerold. Het water liep haar in de mond. Ze bestelde vijf gewone, vijf met krenten en vijf appelbeignets. En toen ze afrekenende nam ze in een opwelling nog een zak van vijf met extra suiker. Ze legde de zakken voorzichtig bovenop de boodschappen en pakte de zware tassen op. Toen liep ze naar de bedelaar. Ze zette de tassen neer en haalde er de zak met vijf oliebollen uit.

De man keek op en keek recht in haar ogen. Ze schrok een beetje van zijn directe blik. Er was geen schaamte te bespeuren, maar meer een beetje ongeloof en hoop.
“Kijk eens meneer, heeft u misschien zin in een lekkere warme oliebol?” Ze frommelde de zak open en hield hem voor. De man stak zijn hand uit die in de zak verdween.
“Dank u wel mevrouw, wat een mooi gebaar van u.” Hij bracht de heerlijk geurende oliebol dicht bij zijn neus, snoof diep en nam een hap. Het poedersuiker viel op zijn baard en het viel Anne op dat hij er eigenlijk niet zo smerig uitzag. Zijn jas was kapot en ook in zijn spijkerbroek zaten scheuren maar hij stonk niet. Zijn tanden zagen er vreemd genoeg verzorgd uit. Het was maar een vreemde snuiter. Hij had de oliebol erg snel verorberd en Anne bood hem de zak aan.
“Hier de rest is ook voor u, ik ga verder want de kinderen komen zo thuis van hun vader.”
Ze voelde in haar jaszak en vond er nog wat los geld wat ze in de pet gooide die op de grond lag.
“Ik hoop voor u dat 2014 beter mag beginnen dan dat 2013 eindigt,” zei ze.
Op het moment dat ze enigszins beschaamd de overvolle boodschappentassen op wilde pakken stond hij op.
“Mevrouw, sta me toe. Ik loop met u naar de auto met die zware tassen.”
“Dank u vriendelijk, maar dat is echt niet nodig.”
“Ik sta erop. De ene dienst is de andere waard.”
“Ik heb geen auto, ik moet te voet naar huis. Mijn fiets is zojuist gestolen. Voor mij eindigt 2013 ook niet zoals ik gedacht had maar het lot is soms niet in onze hand.” De vreemde zwerver had de tassen al opgepakt en Anne voelde zich vreselijk opgelaten. Ze wilde die vent echt niet naar haar flat leiden. Wie weet van hij van plan was. Hij voelde haar aarzeling en zette de tassen weer op de grond.
“Luister” zei hij. “Dit is niet wat ik ben. Niets is zoals het lijkt. U kunt me echt vertrouwen. Ik loop me u mee tot een straat van uw huis. Dan verdwijn ik weer maar hoeft u niet alleen met die zware tassen te sjouwen.”
Hij pakte de ene tas in zijn hand en samen pakten ze de tas met de zware flessen op. Ze staken het plein van het drukke winkelcentrum over en Anne voelde dat mensen naar hen keken. “Woont u ver hier vandaan?”
“Nee, valt gelukkig wel mee. Hier oversteken en dan richting het parkje”. Anne maakte met haar hoofd een knikkende beweging naar rechts. Het stoplicht sprong al op groen dus ze konden gelijk de drukke weg oversteken. Ze durfde niet te vragen waar hij vandaan kwam en of hij wel een dak boven zijn hoofd had. Ze dacht van wel want hij had geen tas of iets dergelijks bij zich wat ze bij andere zwervers wel eens gezien had. Zoals die man laatst in Amsterdam met zijn winkelkarretje vol rommel. Ze naderden het parkje en Anne zei: “Nou dank u meneer, ik ben er bijna. Vanaf hier lukt het me zelf wel weer”. De man zette de ene tas op de grond en ze lieten de andere tas ook maar even zakken.

“Ik heet Simon en ben geen zwerver. Ik ben ook niet dakloos. Ik heb vandaag de rol van mijn leven gespeeld. Ongeveer een half jaar geleden heb ik de loterij gewonnen. Ik ben zo rijk dat ik nooit meer hoef te werken. Opeens wil iedereen mijn vriend of vriendin zijn. Maar iedereen is eigenlijk alleen maar op mijn geld uit. Ik ben eenzamer dan ooit.”
Anne was met stomheid geslagen en zakte neer op het houten bankje waar ze stil waren blijven staan.“Ik heb oude kleding aangetrokken en mijn baard enkele weken laten staan en ben in diverse wijken in de stad gaan zitten bedelen. En weet je wat me opgevallen is? Dat in de armere buurt mensen sneller medelijden tonen en wat van hun spaarzame centjes afstaan. Heel wat anders dan hier in deze nieuwbouwbuurt. U bent vandaag de eerste die een vriendelijk gebaar maakte en wat voor een gebaar! En daarom beste mevrouw, heeft u vandaag ook een lot uit de loterij gewonnen”. Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde er een dikke envelop uit.
“Alstublieft, ik denk dat u hier wel een nieuwe fiets voor kunt kopen, en een heel gelukkig nieuwjaar. Soms is het lot ook u gunstig gezind.” De man draaide zich om en liep weg.

 

Het Kerstengeltje

engeltje
Het was vrijdag 23 december, de laatste schooldag voor de kerstvakantie.
Ingrid zwaaide haar zoontje Sam uit, die gehaast op zijn fiets sprong op weg naar school.
Toen hij niet meer omkeek, sloot ze de voordeur en leunde met haar voorhoofd tegen het koude glas.
Kerst.
Ze moest dit jaar niet veel boodschappen halen want ze waren eerste Kerstdag bij haar ouders en tweede Kerstdag… Ze zakte op de grond en begon onbedaarlijk te huilen.
Wessel duwde zijn kop onder haar arm. Hij wou haar troosten, of zelf getroost worden. Niets was meer hetzelfde. Ze sloeg haar armen om de Golden Retrever en bleef nog even zo zitten. Toen stond ze op. Ze moest in actie komen. Douchen, aankleden en naar buiten met Wessel.
De warme stralen uit de regendouche deden haar goed en ze bleef er extra lang onder staan.
Ze was net klaar met het droogföhnen van haar haren toen ze de telefoon hoorde overgaan.
“Hallo met Ingrid Huizen”
“Dag mevrouw Huizen, met het secretariaat van St. Jozef. Is uw zoontje ziek?”
“Sam ziek, hoezo? Hij is gewoon naar school.”
“Hij is niet hier mevrouw, zijn meester kwam ons vragen even naar huis te bellen.”
Ingrid keek op de wekker in de slaapkamer en zag dat het al 9.15 uur was. Sam was om 8.30 uur vertrokken. De school begon om 8.40 uur. Haar hart bonkte en haar oren gingen suizen, ze zakte op het bed.
“Mevrouw Huizen, bent u daar nog? Hallo, hallo. Mevrouw Huizen?”
“Ja, ja ik ben er nog. Ik snap het niet. Ik ga gauw de route rijden.”

In paniek rende ze de trap af, schoot haar schoenen aan en griste haar jas van de kapstok. Ze sprong op haar fiets. Wessel blafte met luid protest achter de glazen voordeur.
Het was niet ver naar de school. Ingrid verminderde vaart en keek of zijn fiets bij de buurtwinkel stond, misschien was hij stiekem snoep kopen maar er stond geen groene mountainbike.
Ze fietste van het parkeerterrein af en vervolgde de weg naar school. Ze zag niks. Bij het schoolhek stonden geen moeders meer. Ze fietste over het schoolplein, direct naar het secretariaat. De directeur kwam al naar buiten gelopen.
“En?”
“Ik heb niets gezien onderweg, ook niet bij de supermarkt.” Ingrid begon te huilen. “Dat kan toch niet. Hebben we al niet genoeg ellende gehad dit jaar?”
“Probeer rustig te blijven mevrouw, niet meteen het ergste denken. We zullen eerst in de klas vragen of iemand Sam heeft gezien vanmorgen,” zei de directeur terwijl ze richting de ingang liepen van de bovenbouw lokalen.
“Hij is vrij laat vertrokken,” zei Ingrid met gesmoorde stem.
De directeur opende de deur van het klaslokaal. De leerkracht kwam direct op hen toegelopen, ze overlegden even en toen vroeg meester Frank aan de kinderen of iemand Sam had gezien die ochtend.
“Waarom meester? Is er wat gebeurd?” riepen kinderen door elkaar. Sommigen stootten elkaar aan en wezen naar Ingrid: “Kijk daar staat zijn moeder.”
Niemand had Sam gezien.
“Kom” zei de directeur, “laten we teruggaan naar het secretariaat.”
Ingrid ging zitten en kreeg een glas water en kop koffie voorgezet. Ondertussen was de directeur aan het bellen met de politie.
“Ze komen eraan en zijn hier binnen vijf minuten.”
“Was er iets bijzonders vanmorgen?” vroeg de directeur.
“Nee, niks. Hij was wel een beetje stil maar het is ook een moeilijke tijd nu Kerst er aan komt.”
De deur van het secretariaat ging open en twee politieagenten kwamen binnen.
Ze stelden allerlei vragen aan Ingrid. Hoe laat was hij vertrokken. Hadden ze telefoonnummers van andere ouders, zodat gebeld kon worden of iemand hem had zien fietsen. Wat had hij aan, hoe zag zijn fiets eruit? Had ze een recente foto bij zich? Was er ruzie geweest die ochtend, hoe had Sam zich de laatste dagen gedragen? Waar zou hij naar toe gaan als hij weg zou lopen.
“Weg zou lopen?” zei Ingrid. “Waarom zou hij weglopen? We hebben alleen elkaar nog,” en ze begon opnieuw te huilen.
De vrouwelijke politieagent sloeg onhandig een arm om haar heen en klopte op haar schouder.
“We onderzoeken alle pistes mevrouw, daarom vragen we zoveel. Waar woont uw familie en heeft u al iemand gebeld?”
Ingrid schudde haar hoofd. En ze had ook geen foto van Sam bij zich. Ze was zonder tas of portemonnee vertrokken. En wie kon ze bellen? Haar moeder? Nee geen goed idee. Die zou gelijk instorten. Sam is haar lieveling. Ze besloot haar beste vriendin te bellen. Sam en Simon waren vriendjes ook al zat Simon op een andere school. Suzanne had een sleutel en kon thuis haar tas ophalen.
De politie vond dat Ingrid beter terug naar huis kon gaan. Als er wat gebeurd was, dan zou er naar huis gebeld worden en nu was er niemand om de telefoon op te nemen. Ze zetten haar fiets in het politiebusje en reden met haar naar huis. De directeur zou naar Suzanne bellen en zorgen dat zij naar het huis van Ingrid zou gaan.

Het politiebusje en Suzanne kwamen tegelijkertijd de straat ingereden.
Ingrid stapte uit en viel huilend in de armen van haar vriendin. Suzanne gaf de sleutelbos aan de agente die de deur openmaakte en ze liepen de woonkamer in.
De lampjes van de kerstboom stonden aan en voor het raam hing een neonlicht-sneeuwpop. Overal kerstversiering. Op het dressoir stond een Dickens kerstdorp met lampjes in de huisjes. Een schaatsend paartje draaide rondjes op de ijsbaan. Het leek zo misplaatst.
Ingrid liep naar de stekkerdoos en wilde alle stekkers eruit trekken maar Susanne hield haar tegen. “Niet doen, niet de moed opgeven.”
“Misschien is hij gevallen en door iemand meegenomen om een pleister te plakken.”
“Misschien ligt hij wel zwaargewond in het ziekenhuis?” Ingrid begon weer te huilen.
Ze hoorde de politieagente bellen in de keuken. Suzanne stond op van de bank en liep naar de keuken. Ze vulde het Senseo apparaat met water en begon koffie te zetten.
De andere politieagent vroeg aan Ingrid of ze een foto had van Sam. Ingrid liep naar het dressoir en haalde er een lijstje uit. Een foto van Sam met Wessel aan zee. Die was deze zomervakantie genomen. De agent wilde de foto uit het lijstje halen maar Ingrid wilde dat niet. De foto mocht niet beschadigen dus moest met lijst en al maar meegenomen worden.
De vrouwelijke agente kwam terug uit de keuken gelopen en zei dat alle ziekenhuizen in de omgeving gebeld waren. Er was geen kind van tien jaar op de Spoed binnengebracht.
Opgelucht haalde Ingrid adem om direct daarna nog verder in paniek te raken.
“Stel dat ze hem hebben meegenomen, O mijn god.”
De deurbel ging. Ingrid veerde op.
Suzanne ging open doen.
De huisarts kwam binnen.
“Hallo Ingrid, wat is er gebeurd?”
“Sam is kwijt, hij is niet op school aangekomen. Niemand heeft hem gezien.” Ingrid begon te hyperventileren. De huisarts deed zijn tas open en haalde er een spuitje uit en een flesje en verbandgaasje. Hij pakte de rechterarm van Ingrid, schoof haar trui omhoog en maakte een stukje huid schoon met het verbandgaasje. Toen volgde een prikje. Binnen enkele minuten daalde er een rust over Ingrid heen. Haar hartslag werd weer normaal en ze zakte achterover in de bank.
De telefoon ging en de politieagente liep naar de gang.
Toen ze terugkwam knielde ze voor Ingrid neer. “Mevrouw we hebben nieuws, Sam is gesignaleerd door een moeder rond negen uur bij het station. Onze patrouille is naar het station gereden en hebben een groene mountainbike van het merk Batavus in de fietsenstalling zien staan. Ze hebben er een foto van gemaakt, kunt u kijken of dit zijn fiets is?” Ze hield haar iPhone voor Ingrid. Ja dat was beslist de fiets van Sam. Er zat een sticker op van Ajax, zijn favoriete voetbalclub.
“Ja, dat is de fiets van Sam. Wat doet die op het station?”
“Dat gaan we nu uitzoeken” zei de agente die vervolgens opstond en een nummer intoetste. “Positief, ga de loketbeambte ondervragen en bekijk de camerabeelden.”

Suzanne zette een dienblad met koffie en koekjes neer op de salontafel.
“Ik ga even met Wessel naar buiten, ben zo terug” zei ze. “Blijft u nog even hier dr. Willems tot ik terugben? Het is wel fijn voor haar om een bekend gezicht bij zich te hebben.”
“Ja, dat is goed, ik kan nog wel even blijven,” zei de huisarts terwijl hij in zijn koffie roerde.

Wessel stond op toen hij Suzanne met de riem hoorde rammelen en sjokte achter haar aan. Zijn normale enthousiasme als de riem in beeld kwam, bleef uit. Alsof hij heel goed aanvoelde dat er iets niet in de haak was. Honden zijn hoog sensitief. Daar was Suzanne heilig van overtuigd.
Ze liepen links de straat in en Wessel volgde aan de voet. Hij plaste bij een boom en wilde direct weer terug naar huis. Maar Susanne trok aan de riem en stak de straat over naar het parkje.
In de bomen hingen lichtjes, het parkje was prachtig versierd. In het midden stond een kerststalletje met levende dieren. Ezels, schapen en een os. Susanne deed een schietgebedje voor het kribje met kindje Jezus. “Lieve Heer, laat Sam alstublieft ongeschonden weer terug komen, mijn vriendin heeft al genoeg verloren dit jaar.” Ze sloeg een kruisteken en was verbaasd over zichzelf van dit automatische gebaar. Als kind ging ze iedere week naar de kerk maar de laatste jaren alleen nog maar met feestdagen, met de kinderen om ze toch iets van het katholieke geloof bij te brengen ook al zaten ze op de openbare lagere school. Ze wist dat Ingrid op dit moment het geloof in God een beetje was verloren en daarom kon het geen kwaad dat zij een gebed had opgezegd.
Wessel trok opnieuw aan de riem, hij wilde pertinent terug naar huis.

Er stond een tweede politiebusje in de straat. Suzanne versnelde haar pas. Laat het niet waar zijn, laat er in godsnaam niets gebeurd zijn.
De deur vloog al open nog voor ze aangebeld had.
“Ze hebben hem gezien op de camera van het station,” zei Ingrid. “Hij is om 09.30 uur in de trein gestapt naar Antwerpen. De spoorwegpolitie heeft de beelden doorgeseind naar het Centraal Station en daar is hij ook gesignaleerd. Alleen. Wat moet mijn kleine ventje nou helemaal in zijn eentje in Antwerpen?”

Ingrid keek op haar horloge. Het was inmiddels 11.00 uur. Ze voelde zich een stuk rustiger nu ze wist dat hij niet door iemand meegenomen was. Het spuitje van de huisarts werkte inmiddels ook helemaal. Ze werd zelfs wat slaperig. De huisarts merkte dit op en stelde voor dat ze even op de bank ging liggen en legde een plaid over haar heen.
“Ik ga mijn ronde rijden Ingrid, bel maar als er nieuws is” zei hij. Hij pakte zijn dokterstas, sprak nog even met de politie en Suzanne en vertrok. De politiemannen van het tweede busje dronken hun koffie op en verdwenen ook, ze namen de andere agent mee. Alleen de vrouwelijke agente bleef achter bij Ingrid en Suzanne.
Ingrid was in slaap gevallen.
Susanne en de agente gingen in de keuken zitten waar de agente het hele verhaal te horen kreeg over Dirk, de man van Ingrid. De mobiele telefoon van de politieagente ging over, haar gezicht klaarde op. “Oké, ik zie jullie zo.”
“Hij is terecht, mijn collega’s uit Antwerpen zijn met hem onderweg. Ze hebben hem opgepikt toen hij terug kwam bij het station.” Ze keken de kamer in waar Ingrid nog steeds lag te slapen.
“Laat haar nog maar even slapen,” zei Suzanne opgelucht. In stilte dankte ze God voor de goede afloop.
Een kwartiertje later ging de deurbel. Ingrid veerde op en zag door het raam haar zoontje staan naast twee politieagenten. Ze struikelde over haar voeten toen ze naar de deur wilde lopen. Sam vloog naar binnen en huilend vielen ze elkaar in de armen.
“Sorry mama, ik heb er niet bij nagedacht dat je me kwijt zou zijn. Ik wilde alleen maar een cadeautje voor je halen want Simon had gezegd dat de kerstman niet bestaat en dat papa en mama de cadeautjes kopen. En wie moest er jouw cadeautje kopen nu papa in de hemel is. Kijk eens wat ik voor je heb” Hij gaf haar een doosje van Pandora en toen Ingrid het opende lag er een zilveren engeltje met twee kristalletjes in de vleugels te schitteren. “Zie je mama, zo is papa deze Kerst toch bij jou.”