­

Archives for januari 2014

Onderaards- deel 11

grot

 

‘Au, mijn hoofd. Waar zijn we? Wat is er gebeurd?’
Ze probeert omhoog te komen maar krijgt al snel in de gaten dat ze vastgebonden is. De paniek slaat toe en ze begint te gillen.

 

 
‘Ssst, Moniek. Stop. Stop met gillen’ probeer ik haar te kalmeren.
Ze stopt met gillen en kijkt me angstig aan.
‘Shit Sas, waar zijn we. Waar is Thom? Waar is die gek van een Guido?’
‘Ik weet het ook niet, maar goed is het niet’.
Mijn mond voelt droog en ik besef dat ik al uren niks meer heb gedronken. Het verlangen naar een glas koud water vult mijn gedachten en overheerst alles. Net als wanneer je een mier ziet lopen en acuut jeuk over je hele lichaam krijgt.
Ik kijk om me heen maar de ruimte is leeg. Omdat mijn handen op mijn rug zijn vastgebonden kan ik niet op mijn horloge kijken, ik heb geen idee hoe laat het is en hoe lang we hier al vastzitten.

‘Zullen we samen proberen om je rechtop te krijgen?” vraag ik aan Moniek. Ze rolt zich op haar linkerzijde en trekt haar bijeengebonden benen op. Ik wurm mijn voeten onder haar schouder en hef haar bovenlichaam op. Mijn buikspieren protesteren maar het lukt. Hijgend kruipt ze op haar knieën en richt zich verder op. Het lukt om te gaan staan.
‘Draai eens met je rug naar me toe, dan probeer ik te kijken hoe laat het is op je horloge.’
‘Doe geen moeite, ik heb geen horloge aan. Ik kijk altijd op mijn telefoon als ik de tijd wil weten. En ik heb mijn telefoon in de hotelkamer gelaten omdat ik wist dat we in de grotten toch geen bereik zouden hebben.’
‘Oké, probeer dan op de mijne te kijken. Ik wil weten hoe lang we hier al zitten.’
Met enige moeite weet ik mezelf ook op beide knieën te krijgen en op te staan. Maar mijn armen zijn zo strak aan elkaar gebonden dat het niet mogelijk is om een blik op mijn horloge te werpen.
Koortsachtig zoeken we iets scherps, iets wat uitsteekt waar we met het touw langs kunnen schuren om los te raken. Niets.

We staan rug aan rug en proberen met onze vingers het touw te ontwarren waarmee onze armen zijn vastgebonden.
De knopen in het touw zijn vakkundig gemaakt, het zou me niets verbazen als Guido bij de Scouting had gezeten toen hij kind was.

Opeens horen we het geluid van een sleutel die in een slot wordt gestopt. We laten ons zo snel mogelijk op de grond. Mijn hart klopt in mijn keel als ik de deur zie openzwaaien en Guido zie binnenkomen. Hij heeft de kap van zijn sweatshirt over zijn hoofd getrokken.

‘Zo dames, weer wakker zie ik? Jullie zullen wel honger en dorst hebben, ik heb er tenminste op gerekend.’
Hij zet zijn zwarte rugzak op de grond en ritst de bovenkant open. Zijn gehandschoende hand duikt de geopende rugzak in en vist er enkele in papier gerolde dingen uit. Er zit een rood-wit geruit servetje om dat met een elastiekje op zijn plaats gehouden wordt. Ik vermoed dat het belegde broodjes zijn. Verder haalt hij enkele flesjes water uit de tas en drie blikjes cola, een tros bananen en een paar appels. Ondanks de spanning lik ik langs mijn lippen want ik verga van de dorst. En afgaande op het gerammeld in mijn maag, heb ik ook honger al ben ik zo verrekte bang en onrustig, dat ik me afvraag of ik kan eten.
Hij ritst het vak dicht en opent een ander vak waar hij, tot mijn ontzetting een mes uitpakt en twee paar handboeien.
Ik kijk naar Moniek die ook angstig toekijkt. We hebben beiden nog geen geluid gemaakt, proberen zelfs niet te bewegen. Alsof hij onze aanwezigheid zou vergeten.

Hij pakt zijn mes en de handboeien en loopt op ons af. We deinzen terug maar doordat we vastgebonden zijn schuiven we niet meer dan enkele centimeters achteruit. Hij snijdt het touw rond onze enkels door.

‘Jullie hoeven niet bang te zijn hoor, ik ga jullie heus niet vermoorden. In ieder geval niet zelf. Of en hoe jullie dit gaan overleven, hangt geheel en al van jullie zelf af.’

‘Ga naast elkaar zitten’, gebiedt hij.
Met veel moeite schuiven we naast elkaar. Hij gaat achter ons staan, knielt neer en klikt een handboei om één van mijn polsen en slaat de andere om de pols van Moniek. Dan snijdt hij in een snelle beweging de touwen rond onze polsen door. We zitten dus met één hand aan elkaar vast waardoor onze buitenste arm vrij komt. De andere handboei gebruikt hij om onze geboeide handen vast te klikken aan een ring in de muur. Hij neemt geen enkel risico nu onze voeten niet meer aan elkaar gebonden zijn.

‘Wat ben je met ons van plan?’ vraagt Moniek met een bibberstem.
‘Survivallen’, zegt hij met een grote grijns. ‘Daar zijn jullie toch voor gekomen, en dat gaan we doen. Maar op mijn manier en niet voor halfzachte toeristjes. Jullie zullen je krachten hard genoeg nodig hebben, dus eerst eens even wat eten. ‘

 

 

 

 

De Laatste Akte

 

de laatste akte
Zonlicht valt op haar dansende krullen, de rode gloed wordt er door benadrukt. Ik zie mannenhoofden bewonderend omdraaien als ze voorbij loopt. Ze is nog even mooi als toen ik haar de eerste keer zag, op ditzelfde plein. Ik zat toen buiten op het terras met mijn vrienden. Een heel leven voor me. 

 

 

En nu, nu is de slotfase ingezet. De specialist was zeer duidelijk vanmorgen. Hoe moet ik dat nu tegen haar gaan zeggen. Ik neem nog een slok van mijn whisky, er rest niet veel tijd of ze zal binnen stappen.
‘Sterkte maat.’
Ik voel een hand op mijn schouder en kijk even naar mijn beste vriend, de uitbater van deze lunchroom. Wat was het fijn dat hij me op kwam halen in het ziekenhuis vanmorgen. Ik had echt niet zelf kunnen rijden, ook al had het gemogen.
Mijn hele leven heb ik alles kunnen sturen, als regisseur heb ik talloze toneelstukken en musicals laten schitteren op het podium. Zelf in de coulissen, ik sta niet graag in de schijnwerpers. Maar in dit stuk zal ik zelf de hoofdrol spelen.

‘Dag schat. Wat een verrassing dat je naar de stad gekomen bent om met me te lunchen.’
Kristel kust mijn wang en haar parfum vult mijn neusgaten.  Een zoete, maar ook frisse bloemengeur. Al zou ik blind zijn, dan nog zou ik haar uit duizenden herkennen.
‘Dag schoonheid, lang geleden.’ Peter is aan komen lopen om haar jas aan te nemen.
‘Hé Peter, hoe gaat het?’
‘Goed, ik mag niet klagen. Weinig last van de crisis. Mensen komen winkelen, kopen niet veel maar honger en dorst blijven ze houden.’

Dat klopt wel, sinds ik hier zit heb ik vele dames voorbij zien lopen en slechts de helft draagt een tas van een schoenen- of kledingwinkel. De zaak zit echter bomvol, vriendinnen aan de high-tea, dames aan koffie met gebak, moeders en dochters aan een salade.

‘Willen jullie wat eten, of alleen wat drinken?’
‘We nemen de specialiteit van het huis, wat dacht jij m’n vriend?’
Peter lacht en neemt de kaart weer ongelezen mee terug.
Ik kijk Kristel aan en een brok schiet in mijn keel. Daar zit ik dan, altijd praat genoeg maar nu geen woorden kunnen vinden.
‘Wat is er schat, je kijkt zo ernstig.’
Ik leg mijn hand over de hare. Haar slanke lange vingers met de diamanten ring die ik haar gegeven heb toen we 12,5 jaar samen waren. Zij was mijn ruwe diamant, ik heb haar geslepen. Alle facetten van het volle leven laten zien. Dat is het voordeel als je een relatie hebt met een jongere vrouw. Zelf ben je niet meer zo bleu, je wilde haren al lang verdwenen, en stoer doen met je vrienden en je lam zuipen is verleden tijd. Je hebt wat te bieden, geld speelt geen rol. En zij hangt aan je lippen, is gevleid dat jij als gevierd regisseur je oog op haar hebt laten vallen.
‘Lieverd, ik moet je wat zeggen.’
Ze kleurt, eerst wordt ze spierwit en dan knalrood. Ik probeer mijn verbazing te maskeren en slik mijn woorden in. Ik heb genoeg mensenkennis om aan te voelen komen wat ze gaat zeggen.
‘Het betekent niks, ik hou alleen van jou. Dat weet je toch? Het was een vergissing. Het is maar een paar keer gebeurd.’
Ik trek mijn hand terug, de diamant brandde net iets te hard in mijn handpalm. Nooit eerder gevoeld dat deze scherpe punten bevatte.
Een scherpe vlam treft mijn hart maar dooft voordat hij verder oplaait. Wat een rare gewaarwording. Hoe anders is het leven als je weet dat je tijd bijna om is. Het is het niet waard om hier een drama van te maken. De pijn van haar bedrog kan mijn bloedend hart niet verder raken, mijn hart is aan het sterven. Dat moet wel want anders is het niet de dragen. Het enige wat me te doen staat, is zorgen voor een onvergetelijk einde. Iets wat het publiek bij zal blijven zodat ik onsterfelijk word. Langzaam dringt haar stem weer tot me door.
‘Schat zeg dan iets. Zeg dat je me vergeeft. Ik neem ontslag, ik ga daar weg. Alsjeblief, schat zeg iets. Ik hou alleen van jou. Jij bent alles voor me.’

Peter had op geen beter moment kunnen komen. Hij zet de karaf wijn tussen ons in en legt zijn hand troostend op haar rug.
‘Het is verschrikkelijk, maar ik ben er voor jullie hoor. Voor jullie allebei.’
‘Weet hij het ook al? Waarom heb je het niet eerst tegen mij gezegd’ haar stem klinkt licht hysterisch.
‘Tja, ik weet het ook nog maar net. Hij heeft het zelf pas vanochtend gehoord.’
Ik probeer Peters blik te vangen en hem te laten ophouden met praten. Ik wil het nu even niet over mijn diagnose hebben. Laat haar voorlopig maar in de waan dat hij weet dat ze me bedrogen heeft.
Mijn vriendschap met Peter dateert al van de lagere school. Mijn hersenen zenden zulke sterke signalen uit dat hij ze wel binnen moet krijgen. Het moet.

‘Dit is het ergste scenario dat kan gebeuren, ik ben er helemaal kapot van,’ zegt hij en zijn ogen vullen zich met tranen.
‘Maar het stel helemaal niks voor. Het betekent niks. Ik neem straks direct ontslag.’
Eindelijk kijkt Peter mij aan. Snel maak ik een vermanende beweging met mijn ogen. Ik kan spreken zonder geluid, ook één van mijn regisseursvoordelen. Peter snapt het direct, hij is niet alleen mijn beste vriend maar ook een zeer goed acteur en maakt al jaren deel uit van het vaste amateur- theatergezelschap waar ik mee werk.
Hij herstelt zich dan ook wonderbaarlijk snel. Hij schenkt de wijn in, het geeft hem even iets te doen.
‘Ik laat jullie even,’ zegt hij en loopt weg.
‘Waarom heb je er eerst met hem over gesproken? Hij heeft altijd al op de eerste plaats gestaan.’ Deze verwijtende opmerking doet me vermoeden dat er meer aan de hand is en haar overspel misschien toch niet zo weinig voorstelt als ze mij voorspiegelt. Raar hoe mijn aangetaste hersenen die over enkele maanden zo ver verrot zullen zijn, nu nog zo scherp een analyse kunnen maken.
Veel te snel komt Peter alweer terug met twee borden Scampi  in Duivelssaus, suggestie van de Chef.

‘We hebben het er vanavond wel over, laten we nu eerst proberen te genieten van Ons gerecht.’ Ik hef proostend mijn glas  ‘De naam leek nog nooit zo toepasselijk als vandaag’.
Kristel schuift abrupt haar stoel naar achteren en pakt haar tas. ‘Ik heb geen trek meer, tot vanavond’, snikt ze en loopt weg.
Peter staat in mum van tijd terug aan mijn tafeltje.
Ik vertel hem in het kort wat er gebeurd is.
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ zegt hij.
‘Zeg dan niets, en eet even mee. Zonde van die heerlijke scampi.’
‘Hoe kan je nu eten?’
‘Ach, het onvermijdelijke. Daar kan zelfs ik niets aan veranderen. Dit stuk wordt volgens andere regels gespeeld mijn beste vriend. Daarom wil ik jou om een gunst vragen. Het vergt wel enig lef, ben ik bang.’
Peter neemt plaats en begint te eten.  We eten zwijgend. Peter kan heel goed wachten. Hij kent me.
Als ik mijn lege bord van me afschuif kijkt hij me aan. Meer heb ik niet nodig om mijn plan te ontvouwen.
Al die tijd luistert hij, zonder me te onderbreken. Heel even flikkert er iets in zijn ogen, de pijn treft mij recht in mijn hart. Maar het is geen pijn om wat ik van hem vraag, het is de gedeelde pijn om het naderende afscheid. Het onvermijdelijke.
‘Je mag er gerust over nadenken, je hoeft nu niet gelijk te antwoorden. Het zou veel voor me betekenen als je ja zegt maar ik wil je absoluut niet onder druk zetten. Als je nee zegt, heb ik daar alle begrip voor.’
‘Ik hoef niet na te denken. Je kunt op me rekenen. Je bent mijn vriend.’
Mijn ogen vullen zich met tranen, verwoed dring ik ze weg. We staan op en omhelzen elkaar kort. Dan verlaat ik de zaak. Zonder te betalen, maar dat realiseer ik me pas als ik buiten sta. Terug naar binnen is even geen optie. Ik begin te lopen. Frisse lucht moet ik hebben.

Het is al laat in de middag als ik de sleutel in het voordeurslot steek. Zodra ik binnen ben komt Krisel de trap afrennen. Haar ogen zijn gezwollen.
‘O, gelukkig daar ben je.’
Ze wil me om mijn nek vliegen maar ik weer haar af.
‘Kristel, er is iets dat je moet weten. Laten we naar de woonkamer gaan.’
Ik ga bewust niet op de bank zitten maar in een stoel en kijk haar niet aan als ik herhaal wat de specialist vanmorgen tegen me heeft gezegd.  Ze begint te huilen en ik zit onbewogen in mijn stoel. Verdoofd, alsof het niet over mezelf gaat. Alsof ik als regisseur naar een slechte scene moet kijken.
‘Hoe kan die specialist nu zeggen dat je maar drie maanden meer hebt? Hij kan het toch ook mis hebben?’ Ze gaat steeds harder huilen. Staat op en begint heen en weer te lopen, druk gebarend met haar handen.
‘We gaan naar een ander ziekenhuis, naar een andere specialist voor een second opinion. Ik kan niet geloven dat dit het is. We kunnen niet zomaar opgeven. Ik wil je niet kwijt.’
‘Dat kan me eigenlijk allemaal niet schelen. Ik ga dood Kristel en ik wil er zelf de regie over hebben. Ik wil waardig sterven en niet vergaan van de pijn of niet meer weten wat ik doe. De arts heeft me alle scenario’s voorgehouden, één ervan is dat ik opeens zo maar ergens kan lopen zonder dat ik weet hoe ik er gekomen ben. Ik mag geen auto meer rijden. Die staat nog bij het ziekenhuis trouwens, Peter is me komen halen.’
Ze opent haar mond als ze dat laatste hoort maar sluit hem even snel. Nu even niet.
‘Dus als ik het goed begrijp wil je euthanasie.’
‘Nee, ik wil geen gedoe. Dat duurt allemaal veel te lang. Voor dat allemaal geregeld is, second opinion en alles. Daar heb ik geen tijd voor. Ik doe het zelf.’
Geschokt kijkt ze me aan. Ze kent me goed genoeg om te weten dat ik het meen.
‘Ik voer de regie over mijn eigen slotscène.’
Dan vertel ik haar hetzelfde wat ik al eerder vandaag tegen Peter heb gezegd. Ik heb voldoende pillen om er een einde aan te kunnen maken. In het stuk dat we momenteel draaien, is toevallig een sterfscène opgenomen. Mijn plan is om tijdens de laatste avond, vandaag over een week, dood te gaan en al in de kist te liggen die tijdens de slotscène op het toneel gereden wordt. Uiteraard zal ik hetzelfde geschminkt zijn als Peter, ik neem gewoon zijn plaats in. Het publiek en de acteurs zullen treuren, hun eerbetoon aan mij zonder dat ze er erg in hebben.
Peter moet ervoor zorgen dat ik overdag in alle rust mijn plan uit kan voeren.

Kristel wordt boos. ‘Je bent hartstikke gek, weet je dat? Ik sta het niet toe.’
‘Lieve schat, na vandaag heb jij niets meer te willen of te eisen. Dat voorrecht heb je verspeeld toen je me bedroog maar ik vergeef het je.’

De week vliegt voorbij. Ik had er geen idee van wat er allemaal geregeld moest worden. Want tenslotte wil ik natuurlijk overal de regie over houden. Ik wil mijn nalatenschap regelen, mijn beste vrienden en familie bezoeken. Ik speel de rol van mijn leven, niemand merkt dat het de laatste keer is dat ze me levend zullen zien. We praten over van alles en nog wat, soms ook wat diepzinniger als ik daar de behoefte toe voel. Dat heb je tenslotte niet met iedereen en het is er ook niet altijd het juiste moment voor. Maar niemand zal zich achteraf kunnen verwijten dat hij me veel te lang niet heeft gesproken.

Ik ben best trots op mezelf, het vergt nogal wat moed. Het meeste contact heb ik met Peter. Ik heb de hele week bij hem gelogeerd nadat Kristel met haar koffer vertrokken was. Ik weet niet of ze terugkomt voor de begrafenis maar ik denk het wel. Tenslotte weet alleen Peter van haar bedrog, dus ze zal de schijn die dag wel op kunnen houden en de treurende weduwe spelen.

Ik heb gezorgd dat de helft van onze bezittingen aan haar worden nagelaten. Het huis is vrij, dat is een geluk want bij zelfdoding keert de verzekering niet uit. Dat waren de kleine lettertjes die er niet toe deden op het moment dat wij onze handtekening plaatsten.

Het scenario voor de begrafenis was het moeilijkste. Dat was iets wat ik grotendeels alleen heb gedaan. Ik heb alles uitgeschreven zoals voor een uitvoering. Teksten die voorgelezen moeten worden, gedichten. De keuze van de bloemen ‘het decor.’ De muziek kiezen vond ik nog het prettigste onderdeel. Ik wil begraven worden en niet gecremeerd. Het biedt mensen troost om naar een graf te gaan en ik wil bij mijn vader liggen.

Eindelijk is het zover. Het is tijd. Dit had ik toch niet langer volgehouden. Ik ben moe, vreselijk moe.
Brenda schminkt mijn gezicht. Ze is de vriendin van Peter en doet altijd de schmink. De tranen rollen over haar wangen. We hebben afgesproken dat ze vanavond tegen de crew zeggen dat ik niet lekker ben omdat Kristel er vandoor is. Peter zal de regie overnemen. De stand-in heeft zijn rol overgenomen. Die had er toch al moeite mee om in een doodskist te kruipen dus tegen hem hebben we gezegd dat ik dat zou doen, niemand zou daar erg in hebben.
Ondanks alle ellende hebben Peter en ik toch nog moeten lachen om deze meesterlijke zet van bedrog.

De lijkwagen krijgt pech. De chauffeur ziet rook vanonder de motorkap komen. Hij stuurt snel de pechstrook op. Het kan toch niet zijn dat de auto in de fik vliegt op weg naar het crematorium.

De rouwstoet sluit aan op de vluchtstrook. Er ontstaat ruzie tussen een man en een vrouw.

‘Ik zei je toch dat hij zelf de regie wilde voeren. Hij wil niet gecremeerd worden en zou er alles aan doen om dat te voorkomen, daar ben ik van overtuigd. Je had het brutale lef om tegen zijn uitdrukkelijke wensen in te gaan en zie wat er van komt.’

‘Ach stik erin, je mag hem hebben. Ik ga terug naar huis. Als jullie maar niet denken dat ik dat graf ga onderhouden.’

 

18-12-2013 Elles Jansen©

Nog even

vaderHet was op een vrijdag. Eigenlijk waren de weken ervoor ook dramatisch maar dat besefte ik pas later, toen het ergste verdriet plaats maakte voor de vele overpeinzingen die volgen als je terug gaat in de tijd van je herinneringen.

 

 

Mijn vader was een hartpatiënt. Tien jaar eerder was hij in de tuin aan het werken toen hij niet goed werd. Hij is naar binnen gegaan en heeft een borrel genomen, later bleek dat hij een hartinfarct had gehad. Mijn vader was toen 58 jaar en werkte als vertegenwoordiger bij een sigarettenfabrikant. De druk om te presteren was hoog en na jaren in West-Brabant en Zeeland gewerkt te hebben, werd mijn vader naar het drukke Rotterdam gestuurd. Op zijn leeftijd. Hij had een ijzeren staaf in de kattenbak van zijn stationwagen liggen omdat hij bij het uitladen van zijn auto al regelmatig was bedreigd. Kan je het je voorstellen? Om stomme sigaretten?
Na zijn infarct volgde een tien uur durende open-hart operatie in De Klokkenberg in Breda. Mijn moeder en ik, erg close nog in die tijd, waren de hele dag samen en werden ieder uur gebeld over het verloop van de operatie. Het was allemaal goed gelukt, drie omleidingen had hij gekregen. We mochten naar Breda komen en bij hem zijn als hij zou ontwaken uit de narcose. Nooit meer zal ik vergeten hoe mijn vader daar lag, in dat ziekenhuisbed op de Intensive Care. Aan allerlei apparaten en slangen. Lijkbleek, zijn gezicht vertrokken van de pijn.
“Ik ga nooit meer roken” zei hij met droge, gesprongen lippen en krakende stem. Een jaar later was hij deze belofte al weer vergeten.

Op 16 april 1994 kreeg ik tijdens mijn werk een telefoontje. Mijn vader was opgenomen in het ziekenhuis in Bergen op Zoom. Hij had opnieuw een hartinfarct gehad. Ditmaal zag het er allemaal niet zo mooi uit. Door de vorige operatie waren er verklevingen en het was ook onzeker of zijn eigen aderen uit zijn benen gebruikt konden worden voor nieuwe omleidingen.
Die zondag zat mijn huis vol met verjaardagsvisite voor mijn man, ik heb de boel de boel gelaten en ben naar Bergen op Zoom gereden om mijn vader op te zoeken. We waren maar met zijn tweeën, mijn vader en ik. Hij keek terug op zijn leven met mijn moeder. Ze hadden nooit bij elkaar moeten blijven.

Op de IC kregen mijn moeder en ik enorme ruzie aan het bed van mijn vader. Mijn vader wist inmiddels dat het niet goed zat en dat hij als hij terug thuis zou komen, niet meer kon gaan etaleren. Dat deed hij na zijn pensioen om een centje bij te verdienen. Hij vroeg mijn moeder of hij dan af en toe haar auto kon lenen maar daar deed ze vreselijk moeilijk over. Hij moest maar een brommertje kopen. Wat haatte ik haar op dat moment.

De volgende ochtend kreeg ik telefoon, het was Secretaressedag. Ik had net van mijn baas een enorme bos fluweelrode rozen gekregen. Ik heb ze nooit meer in een vaas zien staan.
In sneltreinvaart ben ik uit het ziekenhuis waar ik werkte naar het ziekenhuis in Bergen op Zoom gereden. Mijn moeder stond bij de spoed, mijn vader werd op een brancard de ambulance in gereden. Wij volgenden de ambulance naar Breda. Die donderdagavond ging ik nog op bezoek bij mijn vader. Ik gaf hem een kus en zei: ik zie je morgen. Hij was bang, vreselijk bang. De volgende ochtend, vrijdag 22 april, heb ik hem nog gebeld voordat hij naar de OK ging. Tot straks papa.
Ik ging die dag naar mijn moeder. De het was bewolkt maar ik wilde het gras maaien. Dat had ik tien jaar geleden ook gedaan. Ik wilde de tuin mooi maken voor mijn vader zodat hij als hij thuis kwam, lekker van de tuin kon genieten zonder dat hij er iets voor hoefde te doen. Mijn moeder zat binnen in de kamer overhemden te verstellen, knopen aan te naaien. Ieder uur werden wij op de hoogte gebracht van de vorderingen. Het openmaken van het borstbeen, de moeilijkste fase van de ingreep door de verklevingen, was goed gegaan. Er waren bloedingen maar die waren gestelpt.
Een uur later weer telefoon, de aderen uit zijn benen waren bruikbaar en de omleidingen waren aangelegd. Alles verliep buitengewoon goed.
De zon brak door, het zou goed komen. Ik wist het zeker. Tien jaar geleden brak de zon ook door. Een dejavu…
De telefoon ging weer. Ik liep naar binnen en hoorde op de radio het nummer van Santana. En de grond zakte onder mijn voeten vandaan. Nog voor mijn moeder in hal een kreet slaakte en het overhemd uit haar handen liet vallen.
Ze hadden alles geprobeerd, mijn vader moest van de hartlongmachine losgekoppeld worden om zelf weer zijn hart het werk te laten doen. Dit was niet gelukt. Ze hadden hem terug aan de hart-longmachine gelegd maar nu moest hij toch echt zelf verder… maar zijn hart, zijn warme hart dat altijd voor iedereen alles overhad, had het hart niet om mijn vader terug bij ons te brengen.
Het gekke is, dat ik het gezicht van mijn vader nooit meer voor mijn geest heb kunnen halen. Alsof er een soort beschermingsmechanisme in mij in werking is gesteld. Er is ook niet één foto te vinden waarop mijn vader recht in de camera kijkt. Alle foto’s zijn en profiel.
Nog altijd kan ik die eerste tonen van Santana niet verdragen, mijn keel knijpt dicht en ik krijg geen lucht. Maar mijn vader, hij leeft verder in mij. Ieder dag. Zijn muziek komt altijd te hulp op moeilijke momenten in mijn leven. Dan is daar opeens bijvoorbeeld “In the Summertime” van Desmond Dekker and the Aces op de radio. Of komt er met Kerst als ik aan het winkelen ben en bij een etalage sta, een dixieland jazzbandje voorbij gelopen “All of me” spelend.
En nu ik zelf kinderen heb zie ik de Jansen-karaktertrek overduidelijk terugkomen in onze jongste zoon. Wat zou hij ervan genoten hebben, van zijn kleinkinderen. Ach, kon ik hem nog maar heel even…