Archives for maart 2015

Onderaards – deel 24

grotTerwijl Stefan op de kaart kijkt, blijft Wodan woest blaffen. Max haalt een tang uit zijn rugzak en breekt het geroeste kettingslot open. De deur gaat moeizaam open, het hout schuurt over de ongelijke rotsgrond en blijft op een kier hangen. Stefan trekt ook mee en de deur gaat verder open. Wodan schiet naar binnen en snuffelt rond.Het stinkt in de vochtige ruimte, naar schimmel maar ook naar iets zurigs.

 

Er hangen enkele ijzeren ringen in de muur op een meter hoogte maar verder is de ruimte leeg. Of toch niet helemaal. In de hoek staat een emmer. Hij is voor een derde gevuld met troebel water.
‘Wat is dat hier voor ruimte?’ vraagt Pieter aan Steven.
‘Dit was één van de ruimtes waar de paarden vroeger werden gestald. In het begin van de exploitatie van deze grot, was het de bedoeling om hier een uitgang te maken voor een kortere route maar de uitgang is niet geschikt voor grotere groepen mensen. Er is geen ruimte voor toiletten en parkeerplaatsen.’

Niets leek erop te wijzen dat Saskia en Moniek hier geweest waren, er was niks te zien. Toch bleef Wodan blaffen en Pieter pakte de emmer op om er aan te ruiken. Gatver, het rook smerig. Dat was zeker geen water. Het leek meer op urine.
‘Ik wil een onderzoeksteam hier in deze ruimte. Ze moeten kijken over er DNA sporen zijn.’
‘Dan moeten we zo snel mogelijk naar de uitgang van dit gangenstelsel’ zei Steven. ‘Want hierbinnen is geen bereik.’
Max trok Wodan mee terug de gang in. ‘Ga maar naar rechts, het zal nog zo’n kwartier lopen zijn’ instrueerde Steven.
Het was erg nat op de grond, Max speurde de wanden af of er ergens water langs kwam druppelen. Er lagen zelfs enkele plassen. Wodan had moeite om door het water een vers spoor op te pikken.
‘Er is hier maar één weg naar de uitgang, wellicht dat hij buiten weer iets op het spoor zal komen’ zei Steven. Ongeduldig begonnen de mannen steeds sneller te lopen. De tunnel maakte een bocht en opeens straalde er licht naar binnen. De uitgang! Wodan piepte en trok aan de lijn. Er was weer een spoor. Opgelucht stonden te mannen enkele seconden later in de buitenlucht. Ze zaten goed.
Steven deed zijn rugzak af en haalde er een thermoskan uit. ‘Koffie mannen?’
Wodan zocht een bosje op om zijn behoefte te doen en Max had een sigaret opgestoken. Met de peuk tussen zijn lippen haalde hij een waterfles uit zijn rugzak en liet Wodan eruit drinken.
Steven moest lachen: ‘Dat heb ik nou nog nooit niet gezien zeg. Een hond die uit een fles drinkt.’
Pieter genoot van de warme koffie en was opgelucht dat hij de nauwe grot had verlaten. Hij nam de omgeving in zich op. Ze waren omringd door rotsen, er was een met onkruid begroeid pad, van hooguit een meter of drie. Hij liep wat verder van de ingang van grot weg en volgde het hobbelige pad dat tussen de rotsen kronkelde. Het gras was er plat. Alsof er een auto over gereden had.

‘Ik heb bereik, ik ga de basis oproepen.’ Max bracht zijn mond bij de portofoon en gaf enkele korte bevelen om een speciaal onderzoeksteam naar de gevonden ruimte in de grot te sturen en overhandigde toen het apparaat aan Steven zodat deze kon uitleggen waar ze precies moesten zijn.

‘Max, ik denk dat ze met een auto zijn verdergegaan.’ Pieter gebaarde dat Max naar hem moest komen. Hij wees op het platgedrukte gras en onkruid. ‘Kijk, bandensporen. En volgens mij van nog niet zo lang geleden.’ Max knielde neer en bestudeerde de grond. Het was moeilijk te zien, in een zandpad waren bandensporen duidelijker te herkennen maar hij moest zijn chef gelijk geven. Paarden zouden andere sporen hebben achtergelaten. Hij ging Wodan halen die hij bij Steven had achtergelaten. De hond schoof met zijn neus over de grond, liep terug richting de uitgang van de grot en liep weer naar de plaats waar het onkruid was platgedrukt. Hij begon weer te blaffen en piepen. Hij zocht verder maar kwam steeds terug naar de plek waar Pieter stond.

Wat nu? Ze konden overal zijn. Gefrustreerd schopte Pieter tegen een stel brokken steen.

Onderaards – deel 23

grot

Pieter probeert Max en zijn speurhond bij te houden, hij is geen held in onderaardse grotten en is blij dat er overal licht is in de grot. Na een tijdje komen ze in een soort zaal. Wodan, de Mechelse Herder snuffelt met zijn neus over de vochtige grond en blaft twee keer. Ze zijn hier geweest, dat is duidelijk.

 

 

Wodan loopt dan weer naar links en dan weer naar rechts, zoekend naar een spoor dat verder gaat. Opeens trekt hij naar rechts en gaat een gang in die niet meer verlicht is. Ze zetten de lampen aan boven op hun helm die de gang veranderen in een spookachtig geheel. Wodan is duidelijk iets op het spoor want hij loopt in één voorwaartse trek door. Hij blijft nergens treuzelen. Na een tijdje  wordt steeds krapper en al snel kan Pieter niet meer rechtop staan, op handen en knieën kruipt hij achter de anderen aan en overwint zijn schaamte door te roepen dat hij niet kan bijhouden. Ze houden in en Pieter kruipt dichterbij.

‘Gaat het chef? Max heeft zich omgedraaid en kijkt met dichtgeknepen ogen maar met een lach rond zijn kippen naar zijn baas. Hij weet dat deze het niet op krappe ruimtes heeft.
‘Ja, ja, doe maar voort maar niet te rap anders kan ik niet volgen’, bromt Pieter nors.
Het wordt nog krapper en ze moeten op hun buik door een smalle opening kronkelen. Pieters hart bonkt heftig. Hij is in vertrouwde handen hier met die gids, er kan niks gebeuren. Hij probeert zich te concentreren op de gezichten van de beide meisjes die  hij op de mobiele telefoon van Paul heeft gezien. Hij moet ze vinden.
Ze komen op een heel smal stuk en dan botst Pieter tegen de voeten van Steven aan.
‘We moeten terug naar achteren’, roept Max. ‘Wodan wil niet verder, hij wil terug.’|
‘Terug?’ roept Pieter verbaasd.
‘Ja naar achteren.’
Met moeite kronkelen ze terug naar achter tot ze bij een plek komen waar ze op hun hurken kunnen zitten. Steven pakt een kaart uit zijn zak en schijnt met de lamp op het gangenstelsel.
‘Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk, maar hier ergens is een zijgang die al jaren niet meer wordt gebruikt. Misschien dat we de hond daar even moeten laten snuffelen.’
Hij vouwt de kaart op en gaat voorop, Max en Wodan volgen hem op de hielen. Max heeft Wodan nogmaals aan het de kledingstukken van de meiden laten ruiken. Ze komen in een iets bredere ruimte en dan begint Wodan heel hard te blaffen. Hij snuffelt over de grond en wil geen meter meer verzetten.
Hij gromt en Pieters haren gaan overeind staan. Wodan gromt alleen als hij bloed ruikt. Max is al op zijn knieën gezakt en rommelt in zijn rugzak.
‘Lampen even uit’ gebiedt hij met barse stem.
Het blauwachtige licht van de ultravioletlamp schijnt over de rotsbodem. Het is duidelijk zichtbaar. Opgedroogd bloed, en niet zo’n beetje ook.
Max schraapt met een mes wat van het steengruis los en doet het in een plastic afsluitbaar zakje. Hij beloont Wodan en laat hem opnieuw aan de kleding van Moniek en Saskia ruiken.
Na enig gesnuffel gaat hij een zijgang in en blaft opgewonden. Na enig gesnuffel gaat hij weer terug en gaat vervolgens een andere gang in. Dan begint hij te trekken. Een nieuw spoor.
‘Dat kan toch niet waar zijn’, dit is de route naar de oude groeve. Waarom zijn ze zo naar de uitgang gegaan?’ Steven heeft zijn kaart weer gepakt.
Wodan blaft voor een grote houten deur. Er zit een geroest kettingslot op.

50 Shades – the movie

 50 tintenSamen met mijn BBBV (Blonde Belgische Beste Vriendin) ben ik vrijdagavond naar 50 Shades film geweest. In Antwerpen natuurlijk. Met nog 500 kwebbelende vrouwen en een drietal onderdanige mannen, zaten we in de halfdonkere zaal in zachte fluwelen stoelen opgewonden te wachten tot de reclame voorbij was en het veelbesproken boek op het doek tot leven zou komen. Al na enkele minuten rees de vraag in welke schaduw deze acteur verborgen had gezeten? Was hij er maar gebleven.

 

Natuurlijk had ik meegedaan aan de hype rond het boek Vijftig Tinten Grijs. Iemand op mijn werk had het gelezen en vroeg of ik er al van gehoord had. Ik zat toen in een leesclub en daar waren deze boeken Not Done! Ze werden doodgezwegen want o, wee als iemand uit de groep nog maar het vermoeden had dat je zulke bouquetreeks boeken las, dan viel je van het literaire voetstuk. Niet dat ik me daar wat van aantrok, ik las ze alle drie. In bed. Terwijl mijn man rustig naast me lag te slapen, fantaseerde ik erop los. Hoe zou die mr. Grey eruit zien? En zou ik al die zweepslagen onderdanig, conform een contract net als Anastasia willen ontvangen? Natuurlijk, als er een helikoptervlucht en zweefduik tegenover stond. Toch?? Ik zou wel overdag tussen die oersaaie mails op mijn werk een sexy berichtje willen ontvangen. Eerlijkheidshalve moet ik wel toegeven dat menige scene in het boek mij rode oortjes en andere ongemakjes bezorgde. Als brave moeder in een twintigjarig huwelijk met twee tieners die vaak tegelijk naar bed gaan, hoef ik niet zo veel meer uit te leggen. Vast herkenbaar voor mijn trouwe lezeressen. Kom op, wees eerlijk.

Ik gaf het boek vorig jaar ook aan mijn BBBV, maar na enkele dagen stond ik al aan haar deur. Bang dat ik haar wellicht had gechoqueerd. Lachend zei ze dat ze niet zo snel ergens van onder de indruk was en toen we hoorden dat de film er zou komen spraken we direct af.
Ik moet jullie teleurstellen, tissues waren niet nodig. Niet om onze ogen te drogen, of elders. En de spannende SM scenes waren in een Amerikaanse setting al snel tot soft seks (niet eens soft porno) gereduceerd. Nee, als je echt wilt weten hoe het er aan toe zou gaan in een onderdanige setting kan ik je de (waargebeurde) film aanbevelen:  SM Rechter (regie Erik Lamens en met Veerle Dobbelaere en Gene Bervoets in de hoofdrol).
We hebben een halfuur lang zitten fantaseren wie dan wel de rol van mr Grey zou moeten krijgen. Ik opperde: Axel Daeseleire en we kregen terstond de slappe lach. In de bar waar we van ons drankje zaten te genieten, met zeker 100 andere dames uit de bioscoop, viel mijn oog op een poster van Richard Gère, uit de tijd van Pretty Woman. Hij was in mijn ogen duizenden malen sexyer en zou best dominant geloofwaardig met een zweepje kunnen knallen.

Het Naaktmodel

vrouw op sofaGisèla kijkt naar het naaktmodel dat voor haar op de sofa ligt. Haar ogen bewegen van het model naar het doek op de schildersezel en weer terug. Ze houdt het penseel recht voor zich uit en knijpt één oog dicht. Dan concentreert ze zich weer op het doek. Het model maakt een reis, een reis in Gisèla ’s hoofd en de eindbestemming is het doek.Als het klaar is zal niemand de persoon herkennen, tenzij men haar heel goed kent. De vrouw op de bank roept emoties op die Gisèla liever niet onder ogen wil zien. Spijt en oude wonden.

 

 

Gisèla twijfelt of de vrouw haar herkend heeft. Ze vertelde de eerste keer dat ze model is geworden om meer zelfvertrouwen te krijgen. Het was een idee van haar psycholoog. Omdat ze vroeger zo gepest werd.
De pijn zit gevangen in het doek. Niet omdat de vrouw dit uitstraalt. Nee, ze ligt juist zeer ontspannen op de paarsfluwelen sofa. Een shawl met tijgerprint losjes over haar heupen gedrapeerd. Ze ligt er bij als een luie, gracieuze panter. Maar Gisèla voelt de pijn vanbinnen, bij haarzelf. Als een knagend gezwel in haar maag. Hoe had ze kunnen weten dat het zoveel teweeg had gebracht. Zo’n beschadiging van iemands persoonlijkheid. Het leek destijds zo onschuldig.

De hypnotiserende loungemuziek van Buddha Bar is afgelopen, er is anderhalf uur voorbij. De betovering is verbroken, de vrouw op de sofa beweegt voorzichtig.
‘Zijn we klaar voor vandaag?’
‘Mmm’, mompelt Gisèla, terwijl ze nog een paar penseelstreken toevoegt aan het schilderij.
Het model rekt zich uit en trekt de shawl rond haar naakte lichaam voordat ze opstaat. Dan loopt ze naar het antieke kamerscherm met licht doorschijnende stof. Gisèla kijkt naar het silhouet van twee bewegende armen die langzaam een panty aantrekken. Haar wangen gloeien bij dit sensuele schouwspel.
Onverwacht klinkt het vanachter het scherm:  ‘Gek hè, het is net of ik je ergens van ken.’        ‘Misschien dat je mij wel eens bent tegengekomen in een tijdschrift of de krant. Er is in de pers nogal wat aandacht besteed aan mijn komende expositie.’ Gisèla houdt haar adem in. Ze hoopt dat Alice niet verder zal aandringen. Ze loopt naar de spoelbak en maakt haar verfkwasten schoon. Alice komt aangekleed vanachter het scherm vandaan en Gisèla roept over haar schouder: ‘Woensdag weer rond dezelfde tijd? Ik moet nu opschieten want ik heb zo nog een afspraak.’ Alice aarzelt even maar pakt dan haar tas van het tafeltje bij de deur en zegt: ‘oké, tot dan. Dag.’

Gisèla spoelt de penselen af en dept ze droog met een doek. Daarna zet ze de kwasten in de daarvoor bestemde pot en verlaat met driftige passen het atelier om de trap op te stormen naar haar bovenwoning. In de badkamer knipt ze het licht aan boven de wastafel en kijkt naar het gezicht dat haar vanuit de spiegel aanstaart. Het beschilderde gezicht van een kunstenares waar ze zichzelf nauwelijks in herkent. Zwarte eyeliner benadrukt haar grote groene ogen. De dik aangezette wimpers doen hier nog een schepje bovenop. Ze haalt de gekleurde lens uit haar rechteroog en veegt met een wattenschijfje de zware make-up weg. De klanken van Smokie weerklinken vanuit de aangrenzende slaapkamer: Living next door to Alice. Twee verschillende ogen kijken haar opnieuw in de spiegel aan. Het ‘blote oog’ en de muziek  brengen haar terug naar haar jeugd. Ruim vijfendertig jaar geleden.

Alice was weg. Gisèla en haar vriendin Mary voelden triomf. Hun pesterijen hadden het doel niet gemist. Eerder die week hadden Giséla en Mary in de wachtkamer bij de schoolarts een deel van het gesprek kunnen opvangen van een huilende Alice. Wat hadden ze moeten lachen toen ze door de dichte deuren konden meegenieten van haar diepste angsten.  De twee vriendinnen hadden staan popelen om dit rond te bazuinen op het schoolplein. Toen Alice de volgende dag nietsvermoedend het plein op fietste, riep iedereen: “Hé Alice, zie je nog touwen in de bomen hangen.” Het kind had volkomen overstuur haar fiets neergekwakt en was naar binnen gerend.  Haar grijze wollen wanten beschermend tegen de oren gedrukt. Alice was niet meer teruggekeerd in de klas. Later vertelde de directeur dat Alice van school was gegaan.  Enkele weken later stond Smokie op nummer 1 in de Top 40 van Veronica met ‘Living next door to Alice’. I don’t know why she’s leaving

Gisèla zet de radio uit. Ze wist maar al te goed waarom Alice vertrokken was.
En nu was diezelfde Alice haar naaktmodel. Ze had haar pas herkend toen ze met een kwetsbare blik in haar ogen voor het eerst naakt tegenover haar stond. Met haar kleding aan was Alice een zelfbewuste vrouw. Eentje die niet onopgemerkt een ruimte binnenkomt. Ze was er door betoverd.
Gisèla sliep onrustig. Steeds dezelfde droom dat ze Alice aan het pesten waren en haar vonden in het bos, bungelend aan een touw. Bezweet wordt Giséla wakker. Ze voelt zich vreselijk. Ze staat op en trekt haar peignoir aan. Gehaast loopt ze de trap af naar het atelier. Het schilderij moet zo snel mogelijk af. Misschien lukt het zonder dat Alice nog moet poseren. Dan verkoopt ze het op de expositie en dan is ze er van af. Het drijft haar tot waanzin.

Peter bezat verschillende galeries in de stad. Enerzijds uit beleggingsoverwegingen, maar de hoofdzaak was dat hij van kunst hield. Tijdens zijn werk als plastisch chirurg was hij in feite ook met kunst bezig, zei hij altijd als mensen hem vroegen wat zijn beweegredenen waren. Door zijn werk kwam hij in contact met vele vermogende vrouwen die ontevreden waren over de omvang van hun borsten, buik, billen of vrouwen die rimpels wilden laten straktrekken om de tijd weer wat op te schuiven. Hij had er echter ook zijn huidige echtgenote ontmoet. Aimée maakte beelden, prachtige beelden en nadat de hal, de woonkamer en alle andere geschikte ruimten van hun moderne huis  gevuld waren met haar prachtige creaties, werd het tijd om de beelden ergens anders onderdak te geven. Zijn vader bezat een winkel in de stad en wilde met pensioen. Peter kon het pand voor een schappelijke prijs overnemen. Zijn eerste galerie was een feit. Naast de sculpturen van zijn vrouw werden er ook schilderijen van haar vriendinnen uit de kunstenaarsgroep tentoongesteld.  Zo kwam hij in contact met Gisèla. Ze zat op de academie voor beeldende kunsten en Aimée was helemaal weg van haar. En zij niet alleen.
Gisèla had iets ongrijpbaars. Haar schilderijen bestonden altijd uit vrouwenfiguren. Maar elk schilderij riep een andere sfeer op. Hij werd er door geïntrigeerd. Hij moest zich soms bedwingen om niet te vragen wie het model was omdat hij zelf ook met het model aan de slag zou willen.

Tijdens de opening van de expositie staat hij naast haar. Ze staan voor haar nieuwste schilderij. De vrouw is naakt, ze ligt op een paarsfluwelen sofa met slechts een tijgerprintshawl.
‘Dit schilderij is het mooiste van allemaal. De lichtval op de shawl brengt deze tot leven, je zou de shawl zo op willen pakken om de vrouw te ontbloten.’
Hij voelt Gisèla naast zich verstarren.
‘Nee? Mag ze niet naakt aan het publiek getoond worden?’ vraagt hij en kijkt opzij.
De uitdrukking op het gezicht van Gisèla treft hem. Haar anders zo onbewogen gezicht is vertrokken van pijn en voordat hij iets kan zeggen draait ze zich om en loopt de deur uit.
Perplex kijkt hij haar na. En hij is niet de enige. Aiméé komt op hem afgesneld.
‘Wat is er met Gisèla aan de hand?’

Gisèla staat op de brug en huivert. Haar zwarte satijnen avondjurk met kanten mouwen biedt niet veel beschutting tegen de koude wind. In het schijnsel van de lantarenpalen herkent ze in de gracht vaag de contouren van haar gezicht. Het zwarte water weerspiegelt haar donkere gedachten. Wat heeft het nog voor zin? Ze denkt terug aan die bewuste woensdag.|
Ze was als een bezetene aan het schilderen geweest en legde net de hand aan enkele kleine aanpassingen toen de deurbel ging. Had men het briefje niet gelezen dat op de deur geplakt zat? ‘Laat me met rust verdomme,’ mompelde Gisèla. De bel ging opnieuw, tweemaal achter elkaar. Daarna werd er luid op de deur gebonsd. Nogmaals de bel, langdurig ditmaal.  Wat een volhouder.

Gisèla smeet het penseel neer en stapte met een gezicht als een onweerswolk naar de deur. Woest trok ze de monumentale voordeur open en bevroor toen ze Alice op de mat zag staan. Haar zoete parfumlucht zweefde naar binnen.
‘Hoorde je de bel niet? Was je vergeten dat ik zou komen vandaag? Alice wees op het NIET STOREN briefje op de voordeur en liep langs een verbouwereerde Gisèla de hal in richting het atelier. Shit, ze mag het schilderij niet zien, dacht Gisèla en ze passeerde Alice die inmiddels haar jas over de stoel had gelegd. Gisèla bleef halverwege de ruimte staan, haar armen over elkaar. Alice was achter het kamerscherm verdwenen en drapeerde haar jurk over het brocante kamerscherm. Alice keek gebiologeerd toe. Het schilderij was af, ze had Alice niet meer nodig als model, maar zei niks. Nog even, en dan zou ze naakt voor haar staan…  De shawl lag over de paarse sofa, er lag niks achter het scherm waar Alice zich in kon hullen. Wat verlangde ze ernaar om haar roomblanke huid nog eenmaal te zien.
‘Ik weet al waarom ik dacht je te kennen. Je lijkt een beetje op één van die pestkoppen van vroeger. Maar zij heette Lisa en had kille, ijsblauwe ogen.’ Ze stapte geheel ontbloot, zonder gêne achter het kamerscherm vandaan. ‘En jouw ogen zijn groen.’
Ze liep niet naar de sofa maar stond ineens voor het schilderij.
|‘Sorry hoor, ik kan me niet langer bedwingen. Jeetje, het is al af. Wat prachtig! Maar ik lijk totaal niet op die sensuele vrouw die daar ligt.’ Ze stak haar hand uit om de contouren te volgen op het doek. Het gebaar verbrak de tranche waarin Gisèla gevangen zat en met een snelle beweging ving zij de uitgestrekte arm op.
‘Pas op, het is nog nat’,  waarschuwde ze.
‘Zij daar is mooi, maar dat ben ik niet’.  Tranen rolden langzaam over haar wangen.
‘Alice, je bent prachtig, altijd al geweest, alleen zie je het zelf niet.’ Gisèla streek met haar vinger de tranen weg en kuste haar vochtige wang. Het zout prikkelde haar lippen en ze bewoog haar mond opzij terwijl haar handen hun eigen weg volgden.
‘Toch jij? ’ Alice duwde Gisèla abrupt opzij en haastte zich naar het kamerscherm. Razendsnel trok ze haar kleren aan, griste haar jas van de stoel en rende naar de voordeur. Gisèla snelde achter haar aan en riep: ‘Alice, het spijt me. Ik heb je nooit zo willen kwetsen.’ Alice’s schoenen snerpten op het grindpad.
Ze pakt de koude gietijzeren reling vast. Ze zet haar voet op de onderste stang en zwaait haar linkerbeen erover, gevolgd door het rechter. Alle geluiden vervagen.

Peter staat op de brug, zijn arm beschermend om zijn vrouw geslagen. Ze staat er als versteend bij. De zwaailichten van de ambulance steken fel af tegen de donkere lucht.
‘U moet zich niets verwijten’, zegt de ambulance broeder. ‘Met deze temperaturen en het ijskoude water is het slechts een kwestie van minuten.’ Hij ritst de zak dicht, een stukje zwarte stof steekt er tussen uit.

Het is druk op de crematie. Naast het spreekgestoelte staat  de schildersezel met daarop een uitvergrote foto van een stralende Gisèla. Genomen op die bewuste avond, tijdens haar openingsspeech op de expositie. Het schilderij van het naaktmodel op de achtergrond.
Peter kijkt naar de beschilderde kist, een waar kunstwerk. Hij zal de genodigden toespreken, Aimée is er niet toe in staat.  Zijn ogen dwalen over de bloemen en blijven rusten op een paars rouwlint:  ‘Alles is je vergeven Lisa, A’.
Verward kijkt hij de zaal in.  Zijn adem stokt als hij haar ziet zitten, verborgen onder een grote zwarte hoed, anoniem op de derde rij. Het naaktmodel.