Ik val, dieper en dieper. Mijn oren suizen en ik ben misselijk. Stemmen in mijn hoofd, gegil. Mijn borst doet zeer, een beklemmend gevoel. Ik krijg geen lucht. Het suizen wordt ondraaglijk.
Mijn mond is droog, mijn hoofd zit vol watten en ik voel me heel raar, in mijn oren een rare ruis en dan herken in het gevoel.
Ik ben flauwgevallen. Opnieuw overvalt me een gevoel van paniek maar dit keer spreek ik mezelf hardop streng toe. “Rustig ademen, adem in, pfff, adem uit. Ik leg mijn handen op mijn buik en probeer zo mijn hoge en snelle ademhaling onder controle te krijgen. Ik realiseer me in alle hevigheid waar ik ben. Opgesloten in een donkere hut, zonder licht of frisse lucht behalve het minime dat door de millimeterspleetjes tussen enkele planken binnenfiltert. Daaraan kan ik zien dat het dag is. Ik heb geen idee hoe lang ik al in deze blokhut ben. Ik weet nog dat ik op bed ben gaan liggen en mezelf in slaap heb gehuild.
Mijn ogen doen zeer, de huid erom heen is schraal van het opgedroogde zout. Mijn lippen zijn gesprongen en ik heb pijn in mijn maag. Ik voel iets tegen mijn been liggen en mijn hand vindt een plastic fles. Water. Ik drink enkele slokken en voel aan het gewicht dat de fles zeker half leeg is. Ik neem nog twee slokjes en draai dan resoluut de dop op de fles en leg hem terug op het bed, tegen de wand. Voorzichtig ga ik staan en schuifel dan met gestrekte armen voor me uit op zoek naar de tafel. Daar moet nog een krentenbol liggen. Ik stoot tegen de stoel en schuif met mijn hand over het ruwe tafelblad. Hebbes. Ondanks dat ik de zak de vorige keer goed had dichtgedaan, is de krentenbol helemaal hard geworden. Ik neem een hap maar mijn droge mond is niet in staat om het hard geworden brooddeeg malser te maken. Zonder een slok water krijg ik dit niet weggeslikt. Opnieuw gaat mijn hart in versnelling als ik bedenk dat dit het laatste eetbare is. Hoe lang zal Guido wegblijven? Zal hij nieuwe voorraad aan het halen zijn? Wat zei hij ook al weer toen hij me hier achterliet? O ja, iets over uithoudingsvermogen maar dan niet fysiek. Denkt hij dat hij me zo gek kan krijgen? Door me in het donker op te sluiten? Tegen beter weten in rammel ik weer aan de deur. Ik bonk en roep maar stop er weer mee. Verspilde energie.
Ik loop heen en weer van de ene wand naar de andere, tel de keren dat ik draai. Na twintig keer stop ik ermee. Vermoeid ga ik op het bed zitten en neem twee slokken water. Ik ga liggen en rol me op. Slapen dood de tijd, slapen dood de tijd, als een mantra herhaal ik het. Starend in het donker zie ik Moniek’s lichaam weer liggen. Zou ze nog leven? Zou ze gevonden zijn? Ik hoop toch zo dat ze gevonden is. Ik moet er niet aan denken dat zij daar nog zo ligt, op de harde grond. Geen eten of drinken en vergaan van de pijn. Dat been lag er zo raar geknakt bij. Dat is een ernstige breuk. Ze zal zich nooit zonder hulp kunnen verplaatsen. Maar misschien zal ze wel nooit meer bewegen.
En onze collega’s? Zijn ze nog in de Ardennen of is alleen Paul achtergebleven als contactpersoon voor de politie. Hoe groot zou de zoekactie zijn? Ik heb nog geen helikopters horen vliegen. Of zouden we heel ver weg zijn van Grandhan, en is het zoekgebied nog niet zo ver uitgebreid? Ze zullen toch niet aan de 24 uur vasthouden die iemand vermist moet zijn voor ze gaan zoeken?
Mijn kussen wordt nat van de tranen die geluidloos uit mijn ogen stromen. Ik kan ze niet stoppen. Ik steek mijn tong uit om het zout op te vangen. Zout houdt vocht vast zei mijn oma altijd. Ze is al jaren dood maar het is net of ze naast me op het bed zit en tegen me praat. En opeens besef ik dat ik hier wel eens dood kan gaan.
Recente reacties
Archieven