Verhalen

De affaire

affaire

Ik had hem ontmoet via een onschuldig spelletje op de Ipad. Een woordspel, de digitale versie van Scrabble. Het grote voordeel was dat ik niet langer hoefde te smeken bij man en kinderen of er iemand zin had in een spelletje. Ik kon het gewoon in mijn eentje spelen en een tegenstander kiezen uit vrienden of onbekenden, op elk moment van de dag.

 

Hij had mij uitgenodigd, Meester Frank. En hij legde prachtige woorden. We speelden al ruim een maand toen zijn eerste berichtje kwam.
‘Hallo, ik ben Frank. docent Nederlands en Drama op de theateracademie.’
‘Hallo Frank, ik ben Anke. Ik ben secretaresse bij een makelaarskantoor.’
Na deze kennismaking volgde er bij elke zet op het speelbord ook een berichtje. Mijn man plaagde me met mijn digitale affaire.

Enkele weken later vroeg Frank of we elkaar konden mailen. Hij wilde iets aan me voorleggen. Ik gaf mijn e-mailadres door en nieuwsgierig checkte ik regelmatig mijn mailbox op binnengekomen berichten. Na twee dagen kwam de eerste e-mail. Frank vertelde dat hij auteur was en een tegenschrijfster zocht. Hij wilde een verhaal schrijven dat zijn leerlingen konden bewerken tot een toneelstuk. Hij had al een klein stukje geschreven en vroeg of ik het wilde aanvullen. En zo ontstond een leuke wisselwerking. Ik had er plezier in en was teleurgesteld toen het verhaal af was. Frank stelde voor om een nieuw verhaal te beginnen want we vulden elkaar zo goed aan.
Hij vroeg ook om een foto door te sturen en had die van hemzelf al bij zijn bericht gevoegd. Hij zag er leuk uit, een veertiger met halflang, grijzend haar en een stoppelbaardje. Pretoogjes, en een aanstekelijke lach sierde zijn welgevormde lippen. Ik stuurde hem een foto van de laatste zomervakantie waar ik er voordelig uitzag in een leuke aquablauwe jurk tegen de achtergrond van de haven van St-Tropéz.

Het nieuwe verhaal begon direct broeierig.  Ik voelde me er eerst wat ongemakkelijk onder maar aan de andere kant vond ik het ook wel spannend. Ik ging uit mijn comfortzone en fantaseerde er op los. Eigenlijk liep het wel een beetje uit de hand. Ik had het gevoel dat ik mijn man aan het bedriegen was.
Dat Peter hetzelfde gevoel had bleek wel toen ik thuiskwam uit mijn werk en mijn laptop opengeklapt op de eetkamertafel zag staan.
‘Je had me wel eens kunnen zeggen dat je ons seksleven maar alledaags en saai vond’, zei hij verwijtend. ‘Hoe lang is dit al aan de gang? Heb je iets met die vent? Ik vertrouwde je Anke, maar nu ben ik er niet meer zo zeker van. Heb je al die fantasieën met hem uitgeprobeerd?’ Hij begon steeds harder te roepen.
‘Nee natuurlijk niet, ik heb die Frank nog nooit ontmoet en dat is ook niet mijn bedoeling. Heb jij dan nooit eens gefantaseerd over een andere vrouw?’
Ik legde mijn hand op zijn arm. ‘Het heeft echt niks te betekenen Peter. Ik ken die man niet en zal ook nooit met hem afspreken. Het is louter een oefening in het schrijven.’

Vanaf dat moment vertelde ik steeds aan Peter hoe het verhaal zich ontwikkelde. Het was beter voor ons huwelijk maar het remde me in het schrijven. Ik was de spanning kwijt die ik gevoeld had toen alles nog een beetje stiekem gebeurde. Frank had het ook gemerkt want hij vroeg me wat me dwarszat.
‘Je schrijft niet meer zoals eerst’, e-mailde hij me. ‘Is er iets gebeurd? Misschien moeten we elkaar eens ontmoeten?’
‘Nee, ik wil niet afspreken, ik vind het beter om elkaar niet te zien?’ mailde ik terug.
‘Waarom niet? Ik wil je zien. Laten we afspreken in de stad. In de lunchpauze, a.s. woensdag??’
Ik aarzelde. Wat kon er misgaan in een lunchcafé in de stad?
‘Nee, beter van niet Frank. Ik ben getrouwd en wil geen problemen.’ Ik verzweeg dit e-mailgesprek tegen Peter en wiste het bericht, ook uit de prullenbak.

Woensdagmiddag was ik vrij en fietste in de heerlijke lentezon naar huis. Met mijn favoriete playlist van Spotify aan en de wind in mijn haren, genoot ik van de ontluikende gele narcissen en paarse krokusjes in de berm. Daarom duurde het ook wel even voor ik in de gaten had dat er al die tijd dezelfde man achter me fietste. Bij de stoplichten stonden we naast elkaar maar hij liet me telkens als eerste vertrekken. Hij had een Ray-ban zonnebril op en een donkere hoody aan. De kap ver over zijn hoofd getrokken. Toen ik onze straat insloeg, volgde hij me nog steeds. Ik stapte af bij het begin van het huizenblok waar ons huis er één van was. Hij fietste verder en stak een hand in de lucht alsof hij gedag zwaaide. Vreemd. Misschien toch iemand van het werk. Ik kon beter niet meer zoveel thrillers lezen.
Met een glas vers geperst sinaasappelsap installeerde ik me achter mijn laptop. Ik was nog lichtelijk van slag door de achtervolging en merkte dat de adrenaline van pas kwam om spannender te schrijven.

Ik schreef ruim een uur en stuurde het verhaal door naar Frank. Met een gelukzalig gevoel begon ik aan het avondeten. Een ping-geluidje op mijn Iphone liet weten dat er een nieuwe e-mail was.
‘Zo ken ik je weer. Wil je echt niet afspreken? F’
‘Nee sorry Frank. Het blijft bij schrijven.’


Het mooie weer was als een eendagsvlieg. Regen striemde tegen het slaapkamerraam en wekte me nog voor de wekker. Peter heeft altijd de auto mee naar het werk maar wilde me wel afzetten. Toen ik instapte, tikte Peter op het raam. ‘Er is een band lek gestoken.’ Dat werd dus toch fietsen.
Enkele dagen later schreef ik de slotscène voor het verhaal met Frank. Mijn emoties waren in een achtbaan terechtgekomen, ik herkende mezelf niet in de persoon die deze prikkelende verhalen schreef niet en dreigde de controle kwijt te raken. Het beangstigde me en daarbij werd Frank steeds dwingender. Hij moest en zou mij ontmoeten, was geobsedeerd. Ik besloot ermee te kappen en maakte dat nogal resoluut duidelijk in een korte e-mail. Hij antwoorde direct.
‘Jammer schat. Ik zal geduldig op je wachten, en laat me je tenminste danken voor deze fantastische tijd tijdens een etentje, morgenavond om 20.00 uur bij Bitterzoet.’
‘Frank, ik wil geen afspraakje. Dat heb ik al steeds gezegd. Zoek maar iemand anders.’
‘Ik wacht toch.’
De volgende ochtend fietste ik de poort uit, toen ik werd opgeschrikt door een grote brul van Peter.
‘Moet je onze auto zien!’
Mijn ogen gleden van Peters ontstelde gezicht naar onze rode Peugeot. De spiegel hing eraf, bungelend aan een kabel en van voor tot achter liepen er kronkelige krassen door de glanzende metallic lak. Peter was woest en viste zijn telefoon uit zijn binnenzak. Terwijl hij met de politie belde, voelde ik een zeker onbehagen. Eerst die kapot gestoken band en nu die krassen en afgebroken spiegel…

Ondertussen deed ik mijn best om zonder de stiekeme fantasieverhalen toch uit de sleur van ons huwelijk te komen en boekte een verrassingsuitje met Peter. Ik hield dan wel niet zo van de sauna als hij, maar ik hoopte dat we ’s avonds eindelijk weer eens zoals vroeger, stomende seks zouden hebben. Onze saunatrip veranderde in een koude douche toen ik die dag de gordijnen opende in de woonkamer en mensen met een hond op straat naar ons huis zag wijzen. Toen ik de voordeur opende werd ik getroffen door slordige gifgroene letters op het witte kunststof: HOER. Terwijl ik verder het tuinpad opliep zag ik dat de hele voorgevel besmeurd was met dezelfde groene verf.
Ontzet dacht ik dat dit geen vandalisme meer was; volgens mij had Frank met veel drama zijn eigen voorstelling gegeven. Dit vertelde ik een uur later tegen de politie die aan onze keukentafel proces verbaal opmaakte. ‘Heeft u bewijzen mevrouw?’ Nee die had ik niet. ‘Heeft u bedreigingen van deze persoon ontvangen?’ Ik liet hem de berichten lezen waarin Frank aandrong op ontmoetingen die ik steeds resoluut had afgewezen. Maar de laatste e-mails die wel bezwarend waren, had ik gewist en daar hield ik wijselijk mijn mond over want Peter wist er niets van. De agent stelde vragen aan Peter die best ongemakkelijk waren maar hij stelde zich vrij zakelijk op en zei dat hij mij vertrouwde en dat er geen sprake was van een amoureuze relatie maar van een uit de hand gelopen schrijfaffaire.
Mijn laptop werd meegenomen naar het bureau om via het IP adres de identiteit van Frank te achterhalen. We hoorden later dat Frank inderdaad docent was en tijdens een huisbezoek van de politie niet bekend had, maar ook niets ontkend had. Peter en ik hadden enkele stroeve weken maar de rust keerde langzaam terug. Tot afgelopen zomer.

Samen met mijn collega’s ging ik naar een openluchtoptreden in het Gemeentepark. Vlak naast ons stond een man in een rode sweater met een Ray-ban zonnebril en een baseball pet op. Toen we dichter naar het podium gingen om The Golden Earing beter te kunnen zien liep hij mee. Toen ik bij de bar bier ging halen stond hij aan de andere kant van de bar. Mijn nekharen gingen overeind staan, hij herinnerde me aan die kerel op de fiets. Hij bleef even recht naar mij kijken, stak toen zijn hand naar me op en verdween, zonder iets te bestellen, in de menigte.
Twee dagen later stond Peter me opgefokt op te wachten toen ik thuis kwam van mijn werk. Hij had een  anonieme brief op de deurmat aangetroffen en hield hem voor me.  ‘Weet jij eigenlijk wel wat je vrouw allemaal uitspookt Peter?’ Er was een foto bij van mij op het parkconcert, gelukkig lachend tegen een man aanleunend die zijn armen liefdevol om me heen had geslagen. Hij droeg een rode sweater, had grijs halflang haar, een stoppelbaardje en een omhooggeschoven Ray-ban zonnebril.

 

Onderaards – deel 27

grot

Ik val, dieper en dieper. Mijn oren suizen en ik ben misselijk. Stemmen in mijn hoofd, gegil. Mijn borst doet zeer, een beklemmend gevoel. Ik krijg geen lucht. Het suizen wordt ondraaglijk.
Mijn mond is droog, mijn hoofd zit vol watten en ik voel me heel raar, in mijn oren een rare ruis en dan herken in het gevoel.

Ik ben flauwgevallen. Opnieuw overvalt me een gevoel van paniek maar dit keer spreek ik mezelf hardop streng toe. “Rustig ademen, adem in, pfff, adem uit. Ik leg mijn handen op mijn buik en probeer zo mijn hoge en snelle ademhaling onder controle te krijgen. Ik realiseer me in alle hevigheid waar ik ben. Opgesloten in een donkere hut, zonder licht of frisse lucht behalve het minime dat door de millimeterspleetjes tussen enkele planken binnenfiltert. Daaraan kan ik zien dat het dag is. Ik heb geen idee hoe lang ik al in deze blokhut ben. Ik weet nog dat ik op bed ben gaan liggen en mezelf in slaap heb gehuild.

Mijn ogen doen zeer, de huid erom heen is schraal van het opgedroogde zout. Mijn lippen zijn gesprongen en ik heb pijn in mijn maag. Ik voel iets tegen mijn been liggen en mijn hand vindt een plastic fles. Water. Ik drink enkele slokken en voel aan het gewicht dat de fles zeker half leeg is. Ik neem nog twee slokjes en draai dan resoluut de dop op de fles en leg hem terug op het bed, tegen de wand. Voorzichtig ga ik staan en schuifel dan met gestrekte armen voor me uit op zoek naar de tafel. Daar moet nog een krentenbol liggen. Ik stoot tegen de stoel en schuif met mijn hand over het ruwe tafelblad. Hebbes. Ondanks dat ik de zak de vorige keer goed had dichtgedaan, is de krentenbol helemaal hard geworden. Ik neem een hap maar mijn droge mond is niet in staat om het hard geworden brooddeeg malser te maken. Zonder een slok water krijg ik dit niet weggeslikt. Opnieuw gaat mijn hart in versnelling als ik bedenk dat dit het laatste eetbare is. Hoe lang zal Guido wegblijven? Zal hij nieuwe voorraad aan het halen zijn? Wat zei hij ook al weer toen hij me hier achterliet? O ja, iets over uithoudingsvermogen maar dan niet fysiek. Denkt hij dat hij me zo gek kan krijgen? Door me in het donker op te sluiten? Tegen beter weten in rammel ik weer aan de deur. Ik bonk en roep maar stop er weer mee. Verspilde energie.

Ik loop heen en weer van de ene wand naar de andere, tel de keren dat ik draai. Na twintig keer stop ik ermee. Vermoeid ga ik op het bed zitten en neem twee slokken water. Ik ga liggen en rol me op. Slapen dood de tijd, slapen dood de tijd, als een mantra herhaal ik het. Starend in het donker zie ik Moniek’s lichaam weer liggen. Zou ze nog leven? Zou ze gevonden zijn? Ik hoop toch zo dat ze gevonden is. Ik moet er niet aan denken dat zij daar nog zo ligt, op de harde grond. Geen eten of drinken en vergaan van de pijn. Dat been lag er zo raar geknakt bij. Dat is een ernstige breuk. Ze zal zich nooit zonder hulp kunnen verplaatsen. Maar misschien zal ze wel nooit meer bewegen.

En onze collega’s? Zijn ze nog in de Ardennen of  is alleen Paul achtergebleven als contactpersoon voor de politie. Hoe groot zou de zoekactie zijn? Ik heb nog geen helikopters horen vliegen. Of zouden we heel ver weg zijn van Grandhan, en is het zoekgebied nog niet zo ver uitgebreid? Ze zullen toch niet aan de 24 uur vasthouden die iemand vermist moet zijn voor ze gaan zoeken?

Mijn kussen wordt nat van de tranen die geluidloos uit mijn ogen stromen. Ik kan ze niet stoppen. Ik steek mijn tong uit om het zout op te vangen. Zout houdt vocht vast zei mijn oma altijd. Ze is al jaren dood maar het is net of ze naast me op het bed zit en tegen me praat. En opeens besef ik dat ik hier wel eens dood kan gaan.

Onderaards – deel 26

 

grot

Guido vloekt in zichzelf. Hier heeft hij niet op gerekend. Dat ze gevonden zou worden door voorbijgangers. De afgelopen maand was er niemand langs deze route gelopen. Tijdens de voorbereidende fase had hij namelijk een verborgen camera geplaatst, die aansprong als er beweging in de buurt was. Het alarm was niet afgegaan, als je die keer dat er een berggeit had rondgelopen, niet meerekende.

 

Hij was er min of meer van uitgegaan dat gedurende het voorseizoen er geen klimmers naar deze site zouden komen. Het was niet echt een uitdagende berg en de meer ervaren klimmers kozen een moeilijker parcours. Deze rotswand was eigenlijk voor de vakantiegangers die thuis een beetje aan klimmen deden op zo’n klimmuur. Het lag te ver weg van Adventure World om mee te nemen in het aanbod en er waren geen andere gidsen die deze berg in hun programma hadden.

Daarom is hij geïrriteerd dat zijn plan nu wordt doorkruist. Hij kijkt nog eens door zijn verrekijker naar de vrouw die bij Moniek op de grond zit. Ze draagt een outdoor jas van de Decathlon, maar heeft wel dure wandelschoenen aan. Haar lange blonde haren hangen in een vlecht op haar rug en hij ziet geen ringen aan haar vingers, waar tevens ieder spoor van nagellak ontbreekt. Geen barbiepop. Aan de manier waarop ze het vuur aanlegt kan hij zien dat ze een buitenmens is, iemand van de natuur. Even voelt hij een lichte huivering. Zo’n vrouw zou wat voor hem zijn. Zou zij degene zijn waar hij al jaren naar op zoek is? Eentje die met hem de wilde natuur in wil trekken, verre reizen wil maken. In de middle of nowhere weken op elkaar aangewezen zijn zonder iemand tegen te komen. Stop, stop met fantaseren idioot. Denk na, hoe ga je dit oplossen? Als dat stomme wijf bijkomt dan vertelt ze alles. Ze mag dit niet overleven. En je moet snel zijn want die vent van Heidi is om hulp.

Guido schuift langzaam terug naar achter. Als hij op veilige afstand is staat hij op en loopt terug naar zijn rugzak. Hij maakt zijn jachtgeweer los die met riempjes zit vastgegespt. Dan rommelt hij in zijn rugzak en pakt extra ammunitie. Vervolgens neemt hij een blikje met schoensmeer uit zijn tas en maakt enkele donkere vegen over zijn gezicht. Hij draagt al een camouflagejasje en met zijn donkere cap op is hij onherkenbaar. Hij kruipt terug naar de afgrond en legt aan. Met zijn ene oog dichtgeknepen kijkt hij geconcentreerd met zijn andere door de zoeker. Zijn vinger losjes om de trekker. Dan haalt hij de trekker over. Een gedempte knal, vogels vliegen verschrikt op maar beneden heeft Heidi het niet gehoord. Ze is te druk met het vuurtje bezig en zit met haar rug naar Moniek. Hij heeft haar geraakt, haar lichaam hangt schever dan eerst. Er vormt zich een rood stroompje bloed. Zijn hart bonkt enorm, adrenaline schiet door zijn lijf, dit is toch wel iets anders dan op een hert of konijn schieten!  Zijn handen beven als hij het geweer doorlaat en weer aanlegt. Ze is niet dood want hij heeft haar hart niet geraakt. Een hert was er al lang vandoor gegaan.  Hij aarzelt even, nog nooit eerder heeft hij een mens vermoord. Voor half dood achtergelaten, dat wel.  In Frankrijk twee jaar terug. En sindsdien was die niet te stillen honger ontstaan. Die was niet meer te stillen met gevaarlijke sporten, met het verleggen van zijn eigen grenzen op survivalgebied. Nee, hij had er anderen bij nodig.

 

Onderaards – deel 25

grot
Terwijl Saskia opgesloten zit in een dichtgetimmerd en donker chalet, en het spoor van rechercheurs Pieter en Max doodloopt, stuiten twee wandelaars op een lichaam….

‘Mevrouw, hoort u mij? Mevrouw.’ Ann schudde voorzichtig aan de schouder van de onbekende vrouw die half tegen een rotsblok aan zat. Haar been lag in een rare hoek en haar gezicht was spierwit. Anne legde twee vingers in haar hals en voelde een zwakke hartslag. ‘Ze leeft nog’ zei ze met enige opluchting maar bezorgd keek ze naar Ludo.  Die was al druk in de weer met zijn telefoon en vloekte toen hij geen bereik bleek te hebben.

‘We moeten hulp halen, de gsm heeft hier geen bereik. Het lijkt me het beste als ik terug loop en jij hier bij haar blijft.’

‘Maar het is al laat in de middag, nog even en de zon gaat onder.’

‘Ik weet het schat maar ik ben sneller dan jij en stel dat ze bij kennis komt, dan zal ze blijer zijn met een vrouw.’

Ann moest ondanks alle ellende wel lachen om zijn redenatie. Ludo was altijd maar liever bezig en moest een doel voor ogen hebben. Hulpeloos zitten wachten naast een bewusteloze vrouw hoorde hier niet bij. Nee, Ludo wilde actie, zo snel mogelijk hulp gaan halen. Hij rommelde nog even in zijn rugzak en gaf Ann een zaklamp en twee flesjes water en een banaan. ‘Ik probeer zo snel mogelijk hulp te halen, misschien heb ik verderop al bereik als ik wat meer op vlak terrein ben. Zal ik nog wat takken sprokkelen zodat je een vuurtje kunt maken?’

‘Nee schiet nu maar op, ik zal zelf zo wel rondkijken.’ Ann stond op en gaf haar man een kus.

Daarna knielde ze snel weer naast de roerloze vrouw en voelde nogmaals in haar hals. Ze schroefde het dopje van het flesje water en liet wat druppels water op de lippen van de vrouw vallen. Er kwam geen reactie. Toch had ze het idee dat de vrouw verplaatst was naar het rotsblok want als ze omhoog keek naar de steile rotswand leek het haar sterk dat de vrouw tegen het rotsblok gevallen was. Dan was ze onherroepelijk dood geweest. Hoe lang zou ze hier al liggen? En waarom was ze alleen? Zou iemand anders al hulp zijn gaan halen en haar zo tegen de rots hebben gelegd? Ann keek om zich heen en ging op zoek naar takken en wat droog gras zodat ze een vuurtje kon aanleggen. Allereerst zou het warmte geven en de rook zou ook misschien de aandacht trekken van andere wandelaars of klimmers in de buurt. Voor het eerst was Ann blij dat ze nog steeds niet gestopt was met roken toen ze haar aansteker bij de takken hield. Ze blies zachtjes maar het stapeltje takken wilde geen vlam vatten. Ze rommelde in haar zakken en vond een bon van de Decathlon. Ze maakte er een prop van, stak deze aan en legde het snel op wat dorre bladeren. Het werkte. Blij als een kind stak ze haar handen uit boven het vuurtje en controleerde daarna opnieuw haar patiënt. Ze begon honger te krijgen en dronk een paar slokken water. Ze wilde nog even wachten met de banaan want volgens haar horloge was Ludo nog maar een half uur weg. Ann besloot om nog wat meer takken te zoeken en liep iets verder weg van het vuurtje. Niets vermoedend van het onheil boven haar hoofd.

Guido lag op zijn buik en keek met een verrekijker over de rand van de rots.

Onderaards – deel 24

grotTerwijl Stefan op de kaart kijkt, blijft Wodan woest blaffen. Max haalt een tang uit zijn rugzak en breekt het geroeste kettingslot open. De deur gaat moeizaam open, het hout schuurt over de ongelijke rotsgrond en blijft op een kier hangen. Stefan trekt ook mee en de deur gaat verder open. Wodan schiet naar binnen en snuffelt rond.Het stinkt in de vochtige ruimte, naar schimmel maar ook naar iets zurigs.

 

Er hangen enkele ijzeren ringen in de muur op een meter hoogte maar verder is de ruimte leeg. Of toch niet helemaal. In de hoek staat een emmer. Hij is voor een derde gevuld met troebel water.
‘Wat is dat hier voor ruimte?’ vraagt Pieter aan Steven.
‘Dit was één van de ruimtes waar de paarden vroeger werden gestald. In het begin van de exploitatie van deze grot, was het de bedoeling om hier een uitgang te maken voor een kortere route maar de uitgang is niet geschikt voor grotere groepen mensen. Er is geen ruimte voor toiletten en parkeerplaatsen.’

Niets leek erop te wijzen dat Saskia en Moniek hier geweest waren, er was niks te zien. Toch bleef Wodan blaffen en Pieter pakte de emmer op om er aan te ruiken. Gatver, het rook smerig. Dat was zeker geen water. Het leek meer op urine.
‘Ik wil een onderzoeksteam hier in deze ruimte. Ze moeten kijken over er DNA sporen zijn.’
‘Dan moeten we zo snel mogelijk naar de uitgang van dit gangenstelsel’ zei Steven. ‘Want hierbinnen is geen bereik.’
Max trok Wodan mee terug de gang in. ‘Ga maar naar rechts, het zal nog zo’n kwartier lopen zijn’ instrueerde Steven.
Het was erg nat op de grond, Max speurde de wanden af of er ergens water langs kwam druppelen. Er lagen zelfs enkele plassen. Wodan had moeite om door het water een vers spoor op te pikken.
‘Er is hier maar één weg naar de uitgang, wellicht dat hij buiten weer iets op het spoor zal komen’ zei Steven. Ongeduldig begonnen de mannen steeds sneller te lopen. De tunnel maakte een bocht en opeens straalde er licht naar binnen. De uitgang! Wodan piepte en trok aan de lijn. Er was weer een spoor. Opgelucht stonden te mannen enkele seconden later in de buitenlucht. Ze zaten goed.
Steven deed zijn rugzak af en haalde er een thermoskan uit. ‘Koffie mannen?’
Wodan zocht een bosje op om zijn behoefte te doen en Max had een sigaret opgestoken. Met de peuk tussen zijn lippen haalde hij een waterfles uit zijn rugzak en liet Wodan eruit drinken.
Steven moest lachen: ‘Dat heb ik nou nog nooit niet gezien zeg. Een hond die uit een fles drinkt.’
Pieter genoot van de warme koffie en was opgelucht dat hij de nauwe grot had verlaten. Hij nam de omgeving in zich op. Ze waren omringd door rotsen, er was een met onkruid begroeid pad, van hooguit een meter of drie. Hij liep wat verder van de ingang van grot weg en volgde het hobbelige pad dat tussen de rotsen kronkelde. Het gras was er plat. Alsof er een auto over gereden had.

‘Ik heb bereik, ik ga de basis oproepen.’ Max bracht zijn mond bij de portofoon en gaf enkele korte bevelen om een speciaal onderzoeksteam naar de gevonden ruimte in de grot te sturen en overhandigde toen het apparaat aan Steven zodat deze kon uitleggen waar ze precies moesten zijn.

‘Max, ik denk dat ze met een auto zijn verdergegaan.’ Pieter gebaarde dat Max naar hem moest komen. Hij wees op het platgedrukte gras en onkruid. ‘Kijk, bandensporen. En volgens mij van nog niet zo lang geleden.’ Max knielde neer en bestudeerde de grond. Het was moeilijk te zien, in een zandpad waren bandensporen duidelijker te herkennen maar hij moest zijn chef gelijk geven. Paarden zouden andere sporen hebben achtergelaten. Hij ging Wodan halen die hij bij Steven had achtergelaten. De hond schoof met zijn neus over de grond, liep terug richting de uitgang van de grot en liep weer naar de plaats waar het onkruid was platgedrukt. Hij begon weer te blaffen en piepen. Hij zocht verder maar kwam steeds terug naar de plek waar Pieter stond.

Wat nu? Ze konden overal zijn. Gefrustreerd schopte Pieter tegen een stel brokken steen.

Onderaards – deel 23

grot

Pieter probeert Max en zijn speurhond bij te houden, hij is geen held in onderaardse grotten en is blij dat er overal licht is in de grot. Na een tijdje komen ze in een soort zaal. Wodan, de Mechelse Herder snuffelt met zijn neus over de vochtige grond en blaft twee keer. Ze zijn hier geweest, dat is duidelijk.

 

 

Wodan loopt dan weer naar links en dan weer naar rechts, zoekend naar een spoor dat verder gaat. Opeens trekt hij naar rechts en gaat een gang in die niet meer verlicht is. Ze zetten de lampen aan boven op hun helm die de gang veranderen in een spookachtig geheel. Wodan is duidelijk iets op het spoor want hij loopt in één voorwaartse trek door. Hij blijft nergens treuzelen. Na een tijdje  wordt steeds krapper en al snel kan Pieter niet meer rechtop staan, op handen en knieën kruipt hij achter de anderen aan en overwint zijn schaamte door te roepen dat hij niet kan bijhouden. Ze houden in en Pieter kruipt dichterbij.

‘Gaat het chef? Max heeft zich omgedraaid en kijkt met dichtgeknepen ogen maar met een lach rond zijn kippen naar zijn baas. Hij weet dat deze het niet op krappe ruimtes heeft.
‘Ja, ja, doe maar voort maar niet te rap anders kan ik niet volgen’, bromt Pieter nors.
Het wordt nog krapper en ze moeten op hun buik door een smalle opening kronkelen. Pieters hart bonkt heftig. Hij is in vertrouwde handen hier met die gids, er kan niks gebeuren. Hij probeert zich te concentreren op de gezichten van de beide meisjes die  hij op de mobiele telefoon van Paul heeft gezien. Hij moet ze vinden.
Ze komen op een heel smal stuk en dan botst Pieter tegen de voeten van Steven aan.
‘We moeten terug naar achteren’, roept Max. ‘Wodan wil niet verder, hij wil terug.’|
‘Terug?’ roept Pieter verbaasd.
‘Ja naar achteren.’
Met moeite kronkelen ze terug naar achter tot ze bij een plek komen waar ze op hun hurken kunnen zitten. Steven pakt een kaart uit zijn zak en schijnt met de lamp op het gangenstelsel.
‘Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk, maar hier ergens is een zijgang die al jaren niet meer wordt gebruikt. Misschien dat we de hond daar even moeten laten snuffelen.’
Hij vouwt de kaart op en gaat voorop, Max en Wodan volgen hem op de hielen. Max heeft Wodan nogmaals aan het de kledingstukken van de meiden laten ruiken. Ze komen in een iets bredere ruimte en dan begint Wodan heel hard te blaffen. Hij snuffelt over de grond en wil geen meter meer verzetten.
Hij gromt en Pieters haren gaan overeind staan. Wodan gromt alleen als hij bloed ruikt. Max is al op zijn knieën gezakt en rommelt in zijn rugzak.
‘Lampen even uit’ gebiedt hij met barse stem.
Het blauwachtige licht van de ultravioletlamp schijnt over de rotsbodem. Het is duidelijk zichtbaar. Opgedroogd bloed, en niet zo’n beetje ook.
Max schraapt met een mes wat van het steengruis los en doet het in een plastic afsluitbaar zakje. Hij beloont Wodan en laat hem opnieuw aan de kleding van Moniek en Saskia ruiken.
Na enig gesnuffel gaat hij een zijgang in en blaft opgewonden. Na enig gesnuffel gaat hij weer terug en gaat vervolgens een andere gang in. Dan begint hij te trekken. Een nieuw spoor.
‘Dat kan toch niet waar zijn’, dit is de route naar de oude groeve. Waarom zijn ze zo naar de uitgang gegaan?’ Steven heeft zijn kaart weer gepakt.
Wodan blaft voor een grote houten deur. Er zit een geroest kettingslot op.

Het Naaktmodel

vrouw op sofaGisèla kijkt naar het naaktmodel dat voor haar op de sofa ligt. Haar ogen bewegen van het model naar het doek op de schildersezel en weer terug. Ze houdt het penseel recht voor zich uit en knijpt één oog dicht. Dan concentreert ze zich weer op het doek. Het model maakt een reis, een reis in Gisèla ’s hoofd en de eindbestemming is het doek.Als het klaar is zal niemand de persoon herkennen, tenzij men haar heel goed kent. De vrouw op de bank roept emoties op die Gisèla liever niet onder ogen wil zien. Spijt en oude wonden.

 

 

Gisèla twijfelt of de vrouw haar herkend heeft. Ze vertelde de eerste keer dat ze model is geworden om meer zelfvertrouwen te krijgen. Het was een idee van haar psycholoog. Omdat ze vroeger zo gepest werd.
De pijn zit gevangen in het doek. Niet omdat de vrouw dit uitstraalt. Nee, ze ligt juist zeer ontspannen op de paarsfluwelen sofa. Een shawl met tijgerprint losjes over haar heupen gedrapeerd. Ze ligt er bij als een luie, gracieuze panter. Maar Gisèla voelt de pijn vanbinnen, bij haarzelf. Als een knagend gezwel in haar maag. Hoe had ze kunnen weten dat het zoveel teweeg had gebracht. Zo’n beschadiging van iemands persoonlijkheid. Het leek destijds zo onschuldig.

De hypnotiserende loungemuziek van Buddha Bar is afgelopen, er is anderhalf uur voorbij. De betovering is verbroken, de vrouw op de sofa beweegt voorzichtig.
‘Zijn we klaar voor vandaag?’
‘Mmm’, mompelt Gisèla, terwijl ze nog een paar penseelstreken toevoegt aan het schilderij.
Het model rekt zich uit en trekt de shawl rond haar naakte lichaam voordat ze opstaat. Dan loopt ze naar het antieke kamerscherm met licht doorschijnende stof. Gisèla kijkt naar het silhouet van twee bewegende armen die langzaam een panty aantrekken. Haar wangen gloeien bij dit sensuele schouwspel.
Onverwacht klinkt het vanachter het scherm:  ‘Gek hè, het is net of ik je ergens van ken.’        ‘Misschien dat je mij wel eens bent tegengekomen in een tijdschrift of de krant. Er is in de pers nogal wat aandacht besteed aan mijn komende expositie.’ Gisèla houdt haar adem in. Ze hoopt dat Alice niet verder zal aandringen. Ze loopt naar de spoelbak en maakt haar verfkwasten schoon. Alice komt aangekleed vanachter het scherm vandaan en Gisèla roept over haar schouder: ‘Woensdag weer rond dezelfde tijd? Ik moet nu opschieten want ik heb zo nog een afspraak.’ Alice aarzelt even maar pakt dan haar tas van het tafeltje bij de deur en zegt: ‘oké, tot dan. Dag.’

Gisèla spoelt de penselen af en dept ze droog met een doek. Daarna zet ze de kwasten in de daarvoor bestemde pot en verlaat met driftige passen het atelier om de trap op te stormen naar haar bovenwoning. In de badkamer knipt ze het licht aan boven de wastafel en kijkt naar het gezicht dat haar vanuit de spiegel aanstaart. Het beschilderde gezicht van een kunstenares waar ze zichzelf nauwelijks in herkent. Zwarte eyeliner benadrukt haar grote groene ogen. De dik aangezette wimpers doen hier nog een schepje bovenop. Ze haalt de gekleurde lens uit haar rechteroog en veegt met een wattenschijfje de zware make-up weg. De klanken van Smokie weerklinken vanuit de aangrenzende slaapkamer: Living next door to Alice. Twee verschillende ogen kijken haar opnieuw in de spiegel aan. Het ‘blote oog’ en de muziek  brengen haar terug naar haar jeugd. Ruim vijfendertig jaar geleden.

Alice was weg. Gisèla en haar vriendin Mary voelden triomf. Hun pesterijen hadden het doel niet gemist. Eerder die week hadden Giséla en Mary in de wachtkamer bij de schoolarts een deel van het gesprek kunnen opvangen van een huilende Alice. Wat hadden ze moeten lachen toen ze door de dichte deuren konden meegenieten van haar diepste angsten.  De twee vriendinnen hadden staan popelen om dit rond te bazuinen op het schoolplein. Toen Alice de volgende dag nietsvermoedend het plein op fietste, riep iedereen: “Hé Alice, zie je nog touwen in de bomen hangen.” Het kind had volkomen overstuur haar fiets neergekwakt en was naar binnen gerend.  Haar grijze wollen wanten beschermend tegen de oren gedrukt. Alice was niet meer teruggekeerd in de klas. Later vertelde de directeur dat Alice van school was gegaan.  Enkele weken later stond Smokie op nummer 1 in de Top 40 van Veronica met ‘Living next door to Alice’. I don’t know why she’s leaving

Gisèla zet de radio uit. Ze wist maar al te goed waarom Alice vertrokken was.
En nu was diezelfde Alice haar naaktmodel. Ze had haar pas herkend toen ze met een kwetsbare blik in haar ogen voor het eerst naakt tegenover haar stond. Met haar kleding aan was Alice een zelfbewuste vrouw. Eentje die niet onopgemerkt een ruimte binnenkomt. Ze was er door betoverd.
Gisèla sliep onrustig. Steeds dezelfde droom dat ze Alice aan het pesten waren en haar vonden in het bos, bungelend aan een touw. Bezweet wordt Giséla wakker. Ze voelt zich vreselijk. Ze staat op en trekt haar peignoir aan. Gehaast loopt ze de trap af naar het atelier. Het schilderij moet zo snel mogelijk af. Misschien lukt het zonder dat Alice nog moet poseren. Dan verkoopt ze het op de expositie en dan is ze er van af. Het drijft haar tot waanzin.

Peter bezat verschillende galeries in de stad. Enerzijds uit beleggingsoverwegingen, maar de hoofdzaak was dat hij van kunst hield. Tijdens zijn werk als plastisch chirurg was hij in feite ook met kunst bezig, zei hij altijd als mensen hem vroegen wat zijn beweegredenen waren. Door zijn werk kwam hij in contact met vele vermogende vrouwen die ontevreden waren over de omvang van hun borsten, buik, billen of vrouwen die rimpels wilden laten straktrekken om de tijd weer wat op te schuiven. Hij had er echter ook zijn huidige echtgenote ontmoet. Aimée maakte beelden, prachtige beelden en nadat de hal, de woonkamer en alle andere geschikte ruimten van hun moderne huis  gevuld waren met haar prachtige creaties, werd het tijd om de beelden ergens anders onderdak te geven. Zijn vader bezat een winkel in de stad en wilde met pensioen. Peter kon het pand voor een schappelijke prijs overnemen. Zijn eerste galerie was een feit. Naast de sculpturen van zijn vrouw werden er ook schilderijen van haar vriendinnen uit de kunstenaarsgroep tentoongesteld.  Zo kwam hij in contact met Gisèla. Ze zat op de academie voor beeldende kunsten en Aimée was helemaal weg van haar. En zij niet alleen.
Gisèla had iets ongrijpbaars. Haar schilderijen bestonden altijd uit vrouwenfiguren. Maar elk schilderij riep een andere sfeer op. Hij werd er door geïntrigeerd. Hij moest zich soms bedwingen om niet te vragen wie het model was omdat hij zelf ook met het model aan de slag zou willen.

Tijdens de opening van de expositie staat hij naast haar. Ze staan voor haar nieuwste schilderij. De vrouw is naakt, ze ligt op een paarsfluwelen sofa met slechts een tijgerprintshawl.
‘Dit schilderij is het mooiste van allemaal. De lichtval op de shawl brengt deze tot leven, je zou de shawl zo op willen pakken om de vrouw te ontbloten.’
Hij voelt Gisèla naast zich verstarren.
‘Nee? Mag ze niet naakt aan het publiek getoond worden?’ vraagt hij en kijkt opzij.
De uitdrukking op het gezicht van Gisèla treft hem. Haar anders zo onbewogen gezicht is vertrokken van pijn en voordat hij iets kan zeggen draait ze zich om en loopt de deur uit.
Perplex kijkt hij haar na. En hij is niet de enige. Aiméé komt op hem afgesneld.
‘Wat is er met Gisèla aan de hand?’

Gisèla staat op de brug en huivert. Haar zwarte satijnen avondjurk met kanten mouwen biedt niet veel beschutting tegen de koude wind. In het schijnsel van de lantarenpalen herkent ze in de gracht vaag de contouren van haar gezicht. Het zwarte water weerspiegelt haar donkere gedachten. Wat heeft het nog voor zin? Ze denkt terug aan die bewuste woensdag.|
Ze was als een bezetene aan het schilderen geweest en legde net de hand aan enkele kleine aanpassingen toen de deurbel ging. Had men het briefje niet gelezen dat op de deur geplakt zat? ‘Laat me met rust verdomme,’ mompelde Gisèla. De bel ging opnieuw, tweemaal achter elkaar. Daarna werd er luid op de deur gebonsd. Nogmaals de bel, langdurig ditmaal.  Wat een volhouder.

Gisèla smeet het penseel neer en stapte met een gezicht als een onweerswolk naar de deur. Woest trok ze de monumentale voordeur open en bevroor toen ze Alice op de mat zag staan. Haar zoete parfumlucht zweefde naar binnen.
‘Hoorde je de bel niet? Was je vergeten dat ik zou komen vandaag? Alice wees op het NIET STOREN briefje op de voordeur en liep langs een verbouwereerde Gisèla de hal in richting het atelier. Shit, ze mag het schilderij niet zien, dacht Gisèla en ze passeerde Alice die inmiddels haar jas over de stoel had gelegd. Gisèla bleef halverwege de ruimte staan, haar armen over elkaar. Alice was achter het kamerscherm verdwenen en drapeerde haar jurk over het brocante kamerscherm. Alice keek gebiologeerd toe. Het schilderij was af, ze had Alice niet meer nodig als model, maar zei niks. Nog even, en dan zou ze naakt voor haar staan…  De shawl lag over de paarse sofa, er lag niks achter het scherm waar Alice zich in kon hullen. Wat verlangde ze ernaar om haar roomblanke huid nog eenmaal te zien.
‘Ik weet al waarom ik dacht je te kennen. Je lijkt een beetje op één van die pestkoppen van vroeger. Maar zij heette Lisa en had kille, ijsblauwe ogen.’ Ze stapte geheel ontbloot, zonder gêne achter het kamerscherm vandaan. ‘En jouw ogen zijn groen.’
Ze liep niet naar de sofa maar stond ineens voor het schilderij.
|‘Sorry hoor, ik kan me niet langer bedwingen. Jeetje, het is al af. Wat prachtig! Maar ik lijk totaal niet op die sensuele vrouw die daar ligt.’ Ze stak haar hand uit om de contouren te volgen op het doek. Het gebaar verbrak de tranche waarin Gisèla gevangen zat en met een snelle beweging ving zij de uitgestrekte arm op.
‘Pas op, het is nog nat’,  waarschuwde ze.
‘Zij daar is mooi, maar dat ben ik niet’.  Tranen rolden langzaam over haar wangen.
‘Alice, je bent prachtig, altijd al geweest, alleen zie je het zelf niet.’ Gisèla streek met haar vinger de tranen weg en kuste haar vochtige wang. Het zout prikkelde haar lippen en ze bewoog haar mond opzij terwijl haar handen hun eigen weg volgden.
‘Toch jij? ’ Alice duwde Gisèla abrupt opzij en haastte zich naar het kamerscherm. Razendsnel trok ze haar kleren aan, griste haar jas van de stoel en rende naar de voordeur. Gisèla snelde achter haar aan en riep: ‘Alice, het spijt me. Ik heb je nooit zo willen kwetsen.’ Alice’s schoenen snerpten op het grindpad.
Ze pakt de koude gietijzeren reling vast. Ze zet haar voet op de onderste stang en zwaait haar linkerbeen erover, gevolgd door het rechter. Alle geluiden vervagen.

Peter staat op de brug, zijn arm beschermend om zijn vrouw geslagen. Ze staat er als versteend bij. De zwaailichten van de ambulance steken fel af tegen de donkere lucht.
‘U moet zich niets verwijten’, zegt de ambulance broeder. ‘Met deze temperaturen en het ijskoude water is het slechts een kwestie van minuten.’ Hij ritst de zak dicht, een stukje zwarte stof steekt er tussen uit.

Het is druk op de crematie. Naast het spreekgestoelte staat  de schildersezel met daarop een uitvergrote foto van een stralende Gisèla. Genomen op die bewuste avond, tijdens haar openingsspeech op de expositie. Het schilderij van het naaktmodel op de achtergrond.
Peter kijkt naar de beschilderde kist, een waar kunstwerk. Hij zal de genodigden toespreken, Aimée is er niet toe in staat.  Zijn ogen dwalen over de bloemen en blijven rusten op een paars rouwlint:  ‘Alles is je vergeven Lisa, A’.
Verward kijkt hij de zaal in.  Zijn adem stokt als hij haar ziet zitten, verborgen onder een grote zwarte hoed, anoniem op de derde rij. Het naaktmodel.
 

 

 

Onderaards – deel 22

grot

Pieter van Torre trekt de overall over zijn dienstkleding en zet de helm met lamp op die hij van het survivalteam van Adventure World krijgt aangereikt. Achter hem staat Max al klaar met zijn speurhond aan de lijn. De hond ruikt aan een spijkerbroek van de verdwenen Saskia en Moniek. Ze worden al twee dagen vermist na een teambuildingsuitje.

 

 

Hij knikt kort naar de instructeur en ze lopen naar de ingang van de gang die hen door het grottenstelsel zal leiden. De instructeur is een ervaren speleoloog en werkte op de dag van de verdwijning, sterker nog… hij heeft de groep begeleid op de tocht door de nauwe openingen naar de Romegrot. De man die bij hen was, Thom, is terecht maar ligt opgenomen op een psychiatrische afdeling van het ziekenhuis totaal in de war. Van de meiden ontbreekt tot nu toe elk spoor, evenals van de tweede gids Guido.
‘Hoe ervaren is uw collegagids eigenlijk?’ Pieter kijkt Steven vorsend aan.
‘Hij is een all-rounder, kan alles van het programma dat wij hier aanbieden. Was vroeger al actief bij de Giro.’
‘De Giro?’ vraagt Paul. De directeur van reclamebureau ziet er slecht uit. Sinds twee van zijn medewerkers vermist zijn, en zijn compagnon zwaar gewond en getraumatiseerd in het ziekenhuis ligt, heeft hij geen oog meer dichtgedaan. Hij heeft de rest van de medewerkers van “Pepper” terug naar huis gestuurd. Onder groot protest natuurlijk, want iedereen was ongerust en wilde blijven. Maar er liggen nog veel reclameopdrachten te wachten, en het bedrijf kan het zich niet permitteren om klanten te verliezen.
‘Ja de Giro, dat is zoals de Scouting. Maar daarnaast heeft hij een bachelorsdiploma als sportinstructeur. Hij werkt nog niet zo lang bij ons, maar er zijn tot nu toe geen klachten of incidenten gemeld.’ Steven voelt zich verantwoordelijk voor de vermissing aangezien hij teamleider is van alle instructeurs.
‘Heeft u de gevraagde kleding meegebracht meneer Franken?’
‘Ja, hier heb ik truien van Moniek en Saskia.’ Paul geeft een rugzak aan de rechercheur die met plastic handschoenen de kledingstukken eruit haalt en doorgeeft aan zijn collega Max. De Duitse Herder duwt zijn neus in de stof en na een commando van zijn baas loopt hij met zijn neus aan de grond naar de ingang van de grot. Pieter en Max volgen hem onmiddellijk. Paul maakt eveneens aanstalten om de grot in te gaan maar Steven houdt hem tegen.
‘U kunt het beste hier blijven meneer. Ik heb geen tijd om me om u te bekommeren en ik moet er niet aan denken dat u ook nog verdwaalt.’ Hij draait zich resoluut om en rent achter de politieagenten aan.
‘Wilt u mij volgen meneer Franken, dan zal ik binnen een koffie voor u maken.’ De eigenaar van Adventure World heeft zijn hand al om de ellenboog van Paul gesloten en duwt hem zachtjes maar bewust naar de ingang van het in grijze leistenen opgetrokken gebouw.

 

 

Onderaards – deel 21 – dag 3

grot

Plots schijnt er een zwakke lichtstraal de blokhut in.  Het licht is afkomstig van een zaklamp die Guido tussen zijn lippen klemt. De hut is maar schaars ingericht. Er staat een tafel met twee stoelen en in een hoek staat een bed. Guido schijnt met de zaklamp op een anderhalve literfles water en een papieren zak die hij op de tafel heeft gelegd.
‘Dit is je rantsoen. Wees er zuinig op. Want dit onderdeel van de survival heeft niks met fysieke krachten te maken. Nee, dit gaat om uithoudingsvermogen in de meest pure betekenis.’

 

En voordat ik het in de gaten heb, is hij al terug buiten en hoor ik een sleutel omdraaien in het slot. Het is aardedonker en ik draai me om en loop met uitgestrekte armen tot ik tegen hout aanbots. Ik bonk als een bezetene en roep ‘Guido, laat me niet alleen.’ Mijn handen tasten het hout af en ik voel de deurklink. Ik duw hem naar beneden maar zoals ik al had verwacht, is de deur op slot. Ik roep tot ik schor word maar het heeft geen zin.
Ik draai me om en rust met mijn rug tegen de deur en probeer rustig te worden.
‘Denk na, waar staat de tafel?’
Voorzichtig schuifel ik naar rechts, mijn rug nog steeds tegen de houten wand aangedrukt. Ik voel een oneffenheid en keer nogmaals om, mijn handen tasten de wand af en ik voel een kozijn. Een raam! Mijn vingers stoten tegen ijzeren tralies die nog geen halve centimeter van elkaar op het kozijn zijn vastgemaakt. Geen mogelijk dus om het raam te openen. Gefrustreerd trap ik tegen de wand. Ik beweeg me nog een halve meter opzij en bots tegen de stoel aan. Ik trek hem aan de leuning naar achteren en ga zitten. Op de tast vind ik de fles water en de papieren zak. Ik neem enkele slokken water en moet me bedwingen om niet meer te drinken. Hoe lang zal hij wegblijven? In de zak zitten twee plakkerige broodjes, het blijken krentenbollen te zijn. Zo langzaam mogelijk eet ik er eentje op en dan pak ik de zak en de fles en schuifel met één gestrekte arm voor me uit door de ruimte tot ik tegen het bed aanbots. Ik laat me op het bed vallen, totaal uitgeput en rol me op.

Onderaards – deel 20

grotGuido is vlak bij me en kijkt me boos aan. ‘Wat een stomme trut, die vriendin van jou. Net doen alsof ze al vaker geklommen heeft en dan naar beneden donderen.’
‘Is ze echt niet dood?’
‘Nee ze leeft nog maar ik kan geen oponthoud gebruiken en heb echt geen tijd om haar handje vast te gaat zitten houden.’

 

 

‘Maar je kan haar toch niet zomaar laten liggen? Zonder medische verzorging, zonder drinken. Dat is onmenselijk. Ik wil naar haar toe.’
‘Jij hebt niks te willen, als je het wilt overleven moet je voorruit. Komaan, opschieten.’
Als hij de aarzeling op mijn gezicht ziet trekt hij opeens zijn mes en zet het op mijn zekeringstouw.’
‘Wat wordt het? Naar boven of naar beneden. Aan jou de keuze.’

Ik kijk nog eenmaal naar beneden, Moniek ligt er nog precies hetzelfde bij. In mijn ooghoek zie ik Guido’s hand met het mes bewegen en ik verbeten hijs ik me op naar de volgende zekering. Ik ben zo vreselijk boos over deze onmacht dat ik naar boven klim alsof ik nog nooit iets anders in mijn leven heb gedaan. Mijn vingers doen zeer, mijn nagels zijn gescheurd en sommige vingertoppen bloeden. Verbeten klim ik verder. Guido is inmiddels al boven over de rand verdwenen en wanneer ik enkele seconden later ook de rand bereik hijst hij me al aan mijn tuig over de rand.

Hijgend van de inspanning en emoties blijf ik even op mijn rug liggen. Geen wolkje aan de blauwe lucht. Ik sluit even mijn ogen en adem in – en uit. In – en uit. Iedere keer opnieuw zie ik de val van Moniek. Ik kan nog steeds niet snappen dat ze helemaal naar beneden is kunnen vallen. Ze zat toch gezekerd aan het touw? Ik verdenk Guido ervan dat hij met de touwen geknoeid heeft.
Wanneer ik mijn ogen open, zie ik dat Guido de touwen inmiddels heeft ingehaald en alles in zijn rugzak propt.
‘Kom, we gaan verder.’
Moedeloos kom ik overeind. Wat is zijn volgende actie? Hoe gaat hij deze survival strijd verder nu Moniek er niet meer bij is. Ik dacht dat hij een kick kreeg van de onderlinge competitie. Als ik niet zo bezorgd zou zijn om Moniek zou ik verbaasd zijn over het uitzicht hier boven op de rots. Beneden zie ik de rivier kronkelen waar we eergisteren nog gezellig met het hele team van Pepper het kanoën waren. Ik denk aan Paul en de anderen en begin te huilen. Steeds harder, onbedwingbaar.
Voor ik het in de gaten heb voel ik een scherpe brandende pijn aan mijn rechterwang. Hij heeft me geslagen.
‘Stop met janken en loop door.’ Guido trekt aan mijn arm en ik strompel achter hem aan.
We komen aan de rand van een dennenbomengebied en hij gaat een pad in dat schuin naar boven loopt. De bomen laten weinig licht door en een beklemmend gevoel vult mijn gemoed. Zachtjes snuffend loop ik naast hem, hij heeft mijn arm nog steeds vast.
Het wordt steeds donkerder, waarschijnlijk loopt het al tegen het einde van de middag. Ik ben alle besef van tijd kwijt. We lopen al een tijd niet meer op het bospad maar klimmen tussen de bomen en boomstronken door verder naar boven.  Ik ben moe, heb honger en dorst. Naar mijn gevoel hebben we uren gelopen wanneer we bij een blokhut aankomen. Het houten geval ziet er verwaarloosd uit, het dak is bedekt met mos en de dichte luiken zijn bedekt met groenige aanslag.
Guido laat me los en rommelt in zijn tas tot hij er een sleutel uitvist. Hij maakt de deur open en duwt me naar binnen. Het is donker en het ruikt er muf.