Verhalen

Onderaards – deel 19

grot

Kleine terugblik: Een reclamebureau gaat op teambuildingsuitje in de Belgische Ardennen. Op de tweede dag worden Saskia en Moniek door de gids afgezonderd tijdens een tocht door de onderaartse grotten. Hij ontvoert hen en het uitje verandert in een ware survivaltocht. 

Moniek plaatst haar rechtervoet op een smalle richel die iets uitsteekt en klikt links haar zekering vast. Dan gaat haar linkervoet schuin omhoog en zet ze zich af terwijl ze tegelijkertijd een andere zekering vastklikt aan een hoger gelegen haak.
‘Nu jij Saskia, gewoon achter me aan klimmen.’

Ik veeg mijn vochtige handpalmen af aan mijn broek en zie Guido zwijgend een zakje vastmaken aan de zijkant van mijn gordel. Er zit een wit poeder in. Magnesium schiet er door me heen, net als vroeger op turnles.
Dankbaar voor dit kleine attente gebaar stop ik mijn rechterhand in het zakje en wrijf het poeder tussen mijn handen. Dan sla ik mijn handen tegen elkaar om het overtollige goedje weg je kloppen. Gespannen trek ik nog even aan het touw en ga op armlengte van de rots af staan. Ik plaats mijn rechtervoet in navolging op Moniek op de richel en trek me omhoog. Mijn knieën knikken maar ik verman mezelf en klik de zekering vast aan de haak. Mijn linkervoet gaat naar de volgende richel en ik zigzag langzaam omhoog. Zolang ik niet naar beneden kijk gaat het redelijk. Moniek is al een flink stuk boven mij wanneer loszittende steentjes naar beneden vallen, in een reflex draai ik mijn hoofd de andere kant op en druk mezelf plat tegen de rots. Dan hoor ik haar gillen en ik kijk direct omhoog en zie haar vallen en met een smak tegen de rots aankomen.
‘Moniek, gaat het?’
Het blijft stil. Ze beweegt niet. Shit, zou ze met haar hoofd tegen de rots gekomen zijn? Het ging zo snel allemaal.|
‘Moniek!’ Mijn stem slaat over en ik kijk naar Guido op de grond. ‘Doe iets, help haar!’
Guido zet een paar stappen achteruit en trekt het touw strak. Er volgt een harde knal en ontzet zie ik Moniek op de grond kwakken. Ze ligt in een rare hoek. Ik voel braaksel omhoog komen en probeer met mijn voet de richel onder me te zoeken om terug naar beneden te klimmen.
Guido staat over Moniek gebogen en roept dan: ‘Hé, wat denk jij te gaan doen? Doorklimmen. Hup naar boven.’
‘En Moniek dan, leeft ze nog?’
‘Ja ze ademt maar zal niet meer klimmen zo te zien.’
‘We moeten hulp halen.’
‘Jij bent niet in de positie om dat te bepalen trut, doorklimmen of wil je naast je vriendin komen te liggen?’
Door mijn tranen heen zie ik Guido aanstalten maken om ook de rots te beklimmen. Hij kan haar toch niet zomaar achter laten?’

Stil Maar

boek obsessiesJe woorden galmen door mijn hoofd wanneer ik de babypop vastpak in de speelgoedwinkel. Levensecht, hoe krijgen ze het gemaakt. Liefdevol strijk ik over het kopje en neem haar mee naar de kassa.|
“Is het een cadeautje mevrouw?”|
Ik knik bevestigend. Het winkelmeisje wikkelt de pop in bloemetjespapier en doet er een roze strik om.
“Alstublieft mevrouw, veel plezier ermee. Ze zal blij verrast zijn.” 
Ze moest eens weten, denk ik glimlachend terwijl ik de pop aanpak. “Dank je wel.”

 

We wilden graag een kind. Ik misschien meer dan jij, maar mijn biologische klok was aan het tikken in tegenstelling tot die van jou. Een leeftijdsverschil van vier jaar is niet zo erg maar voor een vrouw die de dertig is gepasseerd, gaat het toch meespelen. Terwijl mijn vriendinnen zwanger raakten, bleef bij mij de maandelijkse menstruatie gewoon komen. Keurig op tijd.
“Een gezonde cyclus mevrouw, ik zou me niet zo druk maken. Niet iedereen is direct zwanger. Bij de een duurt het gewoon wat langer dan bij de ander.”
Onze huisarts trok zijn latex handschoenen uit, liep terug naar zijn ouderwetse mahoniehouten bureau en tikte zijn bevindingen in op zijn laptop. Ik tilde mijn benen van de stalen beugels en trok mijn slipje en broek aan en ging weer naast jou zitten.
“Maar we zijn nu meer dan een half jaar bezig dokter en ik wil dat u verder kijkt. Misschien heeft Marco wel onvruchtbaar zaad.”
Jij kleurde rood, niet van schaamte maar ik zag aan je ogen hoe boos je was. Hoe durfde ik jouw zaad in twijfel te trekken? Toch pakte de huisarts een potje uit zijn lade en gaf het aan je samen met een tijdschrift dat weinig aan de verbeelding overliet.
“In de gang is een toilet. Jullie zijn de laatste patiënten deze middag dus neem je tijd.”
Gelaten zag ik je opstaan en met het potje de spreekkamer uit lopen.
Toen we een week later terug in de spreekkamer zaten voor de uitslag, was de dokter heel stellig. Het zaad was springlevend, er was geen enkele reden waarom ik niet zwanger zou kunnen worden, vertelde onze huisarts kalm. We kregen een soort dagboekje mee waarin stond hoe ik mijn eisprong kon berekenen en waarin we alle pogingen moesten noteren.

Deze ‘nu of nooit’ momenten leverden in het begin wel spannende seks op. Even snel een wip op jouw kantoor in de pauze want om precies twaalf uur was het piekmoment. Begerig veegde je alles van je bureau en schoof mijn rokje omhoog. Ik kon nog net de witte designlamp vastgrijpen voor hij over de rand zou verdwijnen. Of die keer dat ik een hevige hoofdpijn voorwendde op mijn werk. Om vervolgens vliegensvlug naar huis te gaan waar we tegelijkertijd aankwamen en daarna in de lift de stopknop hebben ingedrukt omdat we niet konden wachten. Dat gezicht van de buurvrouw toen we half ontkleed naar buitenkwamen. Maar al snel ging het jou tegenstaan. Je klaagde dat ik je alleen nog als een dekhengst zag, dat er geen liefde bij kwam kijken. Alles draaide om zwanger worden en mijn hevige teleurstellingen als er toch weer bloedplekken in mijn onderbroek verschenen, werden niet langer liefdevol opgevangen, maar wekten alleen nog jouw ergernis op. Geen troostende arm meer rond mijn schouder of lieve geruststellende woordjes: stil maar schat het komt wel goed. Ik zag ook wel in dat het de verkeerde kant op ging. Maar ik wilde zo graag, zo ontzettend graag een baby.

Clair werd geboren, het eerste dochtertje van mijn beste vriendin. We gingen op kraamvisite en ik zat huilend met het schattige roze, naar Zwitsal geurende, baby’tje op mijn armen. Mijn vriendin dacht dat ik ontroerd was maar toen het huilen overging in onbedaarlijk snikken, pakte Robbert snel zijn dochtertje van mij over en gebaarde jou hem te volgen naar de keuken. Schokkend en met lange uithalen gooide ik mijn frustratie naar buiten en Clair probeerde me te troosten en moed in te spreken. Maar ik kon haar alleen maar haten omdat het haar wel gelukt was een kind te krijgen en mij niet. Het was het einde van onze vriendschap.

Op straat zag ik overal moeders met kinderwagens. Het stikte ervan. Of zwangere vrouwen die lachend met hun vent door het park wandelden, druk bezig namen te verzinnen en fantaserend over de kinderkamer.
Ik kon er niet meer tegen. En daar zaten we weer, bij de huisarts die ons dan uiteindelijk na een jaar oefenen, doorstuurde naar de gynaecoloog. Allerlei onderzoeken, testen en zelfs een kijkoperatie. Er was niets, maar dan ook niets wat een zwangerschap in de weg zou kunnen staan.
“Je wilt te graag,” zei je in de auto terug naar huis.
“En wil jij eigenlijk wel graag genoeg?” kaatste ik terug.
Je zei helemaal niks terwijl ik zat te schreeuwen en tieren. Toen we thuis kwamen, liep je in één streep door naar de slaapkamer waar je jouw deel van de kledingkast in tassen begon te proppen.
“Wat ga je doen?”
“Dat zie je toch? Ik heb er genoeg van. Ik ga een tijdje bij Dirk wonen, even afstand nemen.”
En weg was je.
Het kwam niet meer goed. Je kwam niet terug.

Mijn hele lichaam schreeuwde om een kind. Ik kon niet meer buiten komen; overal hoorde ik huilende of lachende kinderen. Baby’s, kleuters. Ook op televisie waren er meer pamperreclames dan ooit tevoren. Ik moest iets doen, het kon zo niet langer. Een homostel waarmee ik bevriend was, raadde me aan om een kinderaantekening te halen bovenop mijn diploma als verpleegkundige. Dan kon ik op de kinderafdeling gaan werken en was ik hele dagen omringd met kinderen die zorg nodig hadden. Misschien dat ik hier iets van mijn moederliefde kwijt kon. Eerst vond ik het een absurd idee. Ik was ervan overtuigd dat het mijn verdriet om het kinderloos zijn, alleen maar zou versterken maar Ludo en John bleven vasthouden aan hun standpunt en gaven mij de inschrijffolder voor de post HBOV opleiding, dus schreef ik me in.
Dertien maanden duurde de opleiding en het gaf me eindelijk wat rust in mijn hoofd. Hoofdstuk na hoofdstuk bestudeerde ik de anatomie van kinderen en de opeenvolgende groeifases. De studie over de verschillende kinderziektes maakte me zelfs aan het twijfelen. Als je las wat er allemaal met je kindje kon gebeuren, dan was je eigenlijk wel gek om een kind te willen. Ik leerde op de cursus ook nieuwe mensen kennen. En mijn docent. Paul.
Ik glimlach terwijl ik aan hem denk. Wat een lieverd. En zo goed met kleine kinderen. Hij is kinderarts. Via hem kon ik mijn stage lopen op de kinderafdeling van het ziekenhuis waar hij zijn praktijk heeft. En nu heb ik er een vaste aanstelling. Sinds een maand of twee. Paul en ik hebben een verhouding. Hij is getrouwd maar niet gelukkig. Een tweeling van vier is de enige reden waarom hij nog bij zijn vrouw is. Maar niet lang meer. Ik wil dat hij bij mij komt wonen. Als hij co-ouderschap neemt dan kan ik voor zijn tweeling zorgen. En voor ons ongeboren kind, wat hopelijk snel wordt verwekt. Toen we de eerste keer met elkaar naar bed gingen heb ik hem voorgelogen en gezegd dat ik de pil slik. We doen het al ruim een half jaar maar … nog steeds niets. Ik pieker me suf waarom het niet lukt en kan aan niks anders meer denken.

Ik loop door de blinkend gepoetste gang. Het linoleum heeft op elke afdeling een andere gekleurde rand aan de zijkanten. Op de kinderafdeling is de rand vrolijk geel. Nu loop ik over de gang naar de polikliniek gynaecologie. Hier is de rand blauw. Opeens verstijf ik bij het horen van een lach. Een lach die ik uit duizenden herken. Jouw lach. Ik schiet weg achter een pilaar en zie jou aan komen lopen met je arm rond een blonde vrouw. Haar ogen stralen en jij gaat helemaal in haar op. Mijn blik glijdt naar beneden en ik voel de grond onder me wegzakken als mijn ogen blijven rusten op haar buik. Een kleine verdikking maar onmiskenbaar zwanger. Het is goed dat ik bij de pilaar sta want anders was ik vast en zeker omver gevallen. Ik draai nog wat verder zodat jullie me zeker niet zullen opmerken, al is die kans nihil omdat jullie alleen oog voor elkaar hebben. Ik begin hevig te trillen en krijg zo’n pijn in mijn buik alsof alles samentrekt. Ik klap dubbel en hap naar adem. Marco wordt vader.
“Gaat het collega?”
Een oudere vrouw in verpleegstersjurk met Hilda op haar naamplaatje heeft mijn arm gepakt en leidt me naar het rijtje dichts bijstaande stoelen. Ze gaat naast me zitten en houdt twee vingers op mijn pols terwijl ze op haar horloge tuurt.
“Jeetje, je hartslag is wel erg hoog. Haal maar eens even rustig adem,” en ze ademt zachtjes fluitend uit.
“Zo ja. Adem in – pfff – adem uit. En nog eens. Goed zo.”
En langzaam kom ik weer tot mezelf.
“Dank je Hilda. Ik ben Carmen. Ik ben zwanger en werd onwel, ik heb nog niet gegeten,” lieg ik er zomaar op los.
Hilda’s bezorgde blik maar plaats voor een brede lach. “Ach, dat weet ik nog van toen ik zelf zwanger was”, zegt ze. “Blijf hier maar even zitten.”
Ze staat op en loopt richting de uitgang van de polikliniek. Even later komt ze terug met een bekertje warme chocolademelk en een koekje.
“Alsjeblieft, hier knap je vast van op.”
Dankbaar neem ik het van haar aan. Ik moet aan mijn oma denken die de lekkerste chocomelk van de wereld kon maken en altijd een luisterend oor had. Opeens begin ik te huilen, al kan ik Hilda natuurlijk niet de waarheid zeggen over mijn frustratie dat ik geen kinderen kan krijgen. Maar haar troostende armen die zachtjes over mijn rug strijken geven hetzelfde gevoel als destijds bij mijn oma.
“Tja meisje, een zwangerschap verandert je hormoonhuishouding en maakt je labieler dan anders. Ik zat altijd te janken bij iedere zielige film op televisie. Het hoort er allemaal bij.”
Snuffend koester ik me nog even in haar warmte en dan trek ik me langzaam terug. Ik sta op en pak het lege bekertje. Ik kan niet langer blijven talmen. Ik heb de perfecte oplossing voor mijn probleem gevonden en moet nu als de donder actie ondernemen.
“Ik weet niet hoe ik je moet bedanken, je was er precies op het juiste moment. Het gaat wel weer. Laten we terug aan het werk gaan.”

Paul is teleurgesteld wanneer ik hem vertel dat ik een time-out wil. Ik zeg dat ik het niet aan kan dat hij niet kan kiezen tussen mij en zijn gezin en dat ik een paar maanden in het buitenland ga werken. Via personeelszaken heb ik al onbetaald verlof geregeld. Ik huur een appartement aan de kust over de grens en koop positiekleding. Iedere maand ‘groeit’ mijn buik een beetje meer. Ik ga zelfs waggelend lopen. Ondertussen ben ik via gemeenschappelijke vrienden op Facebook op de hoogte van het verloop van de zwangerschap van Marco en zijn vriendin. Foto’s van de ingerichte kinderkamer en aangeschafte kinderwagen laten zien dat papa er helemaal klaar voor is. De baby kan elk moment komen…Klootzak.

Ik loop door de blinkend gepoetste gang. Mijn hart bonkt en mijn handen transpireren als ik de deur zachtjes openduw. Daar liggen ze, slapend. Mijn ogen vliegen over de schattige babyhoofdjes in de wiegjes. Bingo. Wat is ze mooi. En haar neusje, ze heeft jouw neusje. Ik rits mijn jas open en haal de pop uit de draagzak. Al die tijd blijf ik met mijn rug naar de bewakingscamera staan. Ik pak de baby op en wurm haar in de draagzak. Daarna leg ik de pop in haar plaats in de wieg. Voor de schijn loop ik nog langs wat andere wiegjes. Precies zoals tijdens de nachtrondes voer ik mijn controles uit. Jouw kindje maakt snikkende geluidjes. “Stil maar schatje, mama is hier.”

Onderaards – deel 18

grot

Geschrokken kijk ik naar de steile rotswand voor me waar de bungelende touwen duidelijk maken wat de bedoeling is.

 

 
Ik voel mijn knieën knikken. Een wee gevoel neemt bezit van mijn maag. Hoe moeten we dit nu weer volbrengen? Ik heb enorme hoogtevrees. Vooral als ik op mijn eigen lichaam moet vertrouwen. Ik durf best op de Eifeltoren te staan of op de Euromast. Maar aan een touw een berg beklimmen? No way!
‘Ik ga niet klimmen’, zeg ik beslist. Ik ben boos omdat ik in deze situatie ben beland en mijn woede neemt de overhand.

‘Als je wilt overleven zal je wel moeten schat. Jullie willen toch zo graag survivallen en aan teambuilding doen? This is the moment.’ Guido geniet zichtbaar van mijn boze houding. Het lijkt hem wel enigszins op te winden. Dat is niet mijn bedoeling, niets mag deze psychopaat in verleiding brengen.
Moniek heeft nog niets gezegd. Haar gezichtsuitdrukking lijkt onbewogen. Ik vraag me af of zij net zo bang is om te klimmen als ik.  Intussen rommelt Guido in zijn rugzak en haalt er twee tuigjes uit die hij aan ons overhandigt:   ‘Aantrekken.’

Tijd rekken, denk ik bij mezelf. ‘Sorry hoor maar ik moet eerst plassen.’
‘Schiet op, en ga maar allebei,’ zegt hij afgemeten en gebaart met zijn hoofd naar een paar bosjes die een eindje verderop rechts tegen de rots staan. We laten de tuigjes op de grond vallen en lopen naar de bosjes. Ik fluister tegen Moniek dat ik hoogtevrees heb en echt niet tegen die berg op kan klimmen.
‘Ik help je wel,’ fluistert ze terug. ‘Ik heb al vaker geklommen, ga wel eens naar de Klimmuur in Rotterdam. Onze plas klatert tegelijkertijd als een waterval op de steentjes. Vroeger kon ik niet op een toilet plassen als er iemand voor de deur stond te wachten. Zo zie je maar hoe snel je je gêne opzij kan zetten, schiet het door mijn hoofd. We lopen terug naar Guido,  stappen in de heupgordel en gespen de sluitingen stevig vast.

Guido pakt een touw en wil het aan mijn gordel vastmaken maar Moniek zegt rustig ‘laat mij maar voorklimmen dan kan Saskia kijken hoe ik het doe en volgen.’
‘Aha, mevrouw hier heeft er verstand van’, zegt Guido en overhandigt het touw aan Moniek. Er zit een ander touw aan vast.
‘Maar we zijn met drieën dus jullie gaan beiden voor en ik zal zekeren,’ antwoord Guido.
Moniek haalt het touw door de lussen en maakt het vast met een ingewikkelde knoop. Je kan zien dat ze weet waar ze mee bezig is. Daarna herhaalt ze dezelfde handelingen bij mij.
‘Je hebt zeker geen speciale klimschoenen voor ons?’ vraagt ze.
‘Nee prinses, het is survival weet je nog? Roeien met de riemen die je hebt’.

In de grotten was ik nog blij met mijn stevige bergschoenen maar nu ik aan de voet van de rots staat verlang ik hevig naar mijn gympen met flexibele zolen. Moniek geeft met een stuk band met twee haken aan en doet voor welke haak ik aan de gordel vast moet pikken en de andere gaat rond het touw. Ze geeft me nog wat haken en legt uit dat ik ze steeds vast moet klikken aan de zekeringen in de muur.
Van dichtbij zie ik dat de muur allerlei uitstulpingen heeft waar ik mijn voeten op kan zetten en Moniek geeft aan dat ik met mijn linkse hand en rechtse voet moet werken en dan weer andersom. ‘Zo klim je in een soort driehoek beweging en ben je beter in balans.’

De zenuwen gieren door mijn lijf maar ik probeer me te concentreren op haar uitleg want daar hangt mijn leven straks van af.
‘En verder niet naar beneden kijken. Onder geen beding. Kijk voor je, omhoog of opzij maar nooit naar beneden. Dan lukt het wel. Kom op, Sas, je kunt het.’

Het laatste uur

klokOp 28 juni volgde ik een workshop Thrillerschrijven. Hier volgt mijn opdracht: spannend verhaal met onderwerp Afscheid – 500 woorden.

De ruitenwissers gaan gestaag heen en weer. Het ritme maakt me slaperig.

 

 

Ik open het raampje om wat frisse lucht binnen te laten maar moet het weer sluiten omdat de regendruppels binnen vallen en kringen achterlaten op de zijden stof van mijn azuurblauwe blouse. Met mijn rechterhand doorzoek ik mijn tas die op de stoel naast me staat. Mijn vingers tasten de gebruikelijke inhoud af, lipstick, parfumflesje, mobieltje, portemonnee. Ergens moet er een pakje kauwgom zijn. Al die vakjes. Geërgerd trek ik de tas op mijn schoot. Waarom koop ik toch altijd zo’n grote tas. Snel richt ik mijn blik naar beneden om vervolgens weer op de weg te letten. Het is gevaarlijk wat ik doe.

Opnieuw duiken mijn ogen in mijn tas en in een hoek zie ik het blauw van de verpakking. Hebbes.
De tas belandt weer op de stoel naast me en ik druk een kauwgommetje uit de verpakking, neem er direct maar twee. De frisse mint smaak prikkelt mijn tong en tranen springen in mijn ogen. De slaap is weg. Ik zet de radio wat harder.
De Tom-Tom geeft aan dat het nog een kleine drie kwartier rijden is. In gedachten probeer ik me voor te stellen hoe ik haar aan zal treffen. En wat het met me zal doen. Onze band was in de loop der jaren verslechterd. Mijn gevoel was langzaam, beetje bij beetje afgestorven. Dat van haar niet, nee dat was juist versterkt. Sinds de dood van mijn vader had ze zich aan me vastgeklampt als een drenkeling. In het begin voelde ik me verantwoordelijk om een aantal dingen te regelen zoals bankzaken, opruimen van zijn kleding en zijn hobbymaterialen. Maar haar egoïstische gedrag tijdens zijn laatste dagen had een onuitwisbare wissel getrokken, had een deel van mijn hart versteend, bevroren. En niets kon dit meer ontdooien.
Telkens als ik thuiskwam in mijn ouderlijk huis waar ik zoveel herinneringen had, miste ik mijn vader, zijn gezelligheid en belangstelling. Nu moest ik eerst een hoop klusjes doen en als alles wat ze kwijt wilde door haar gezegd was, vroeg ze vlak voor ik weer wegging: en met jou alles goed?
“Waarom kom je zo weinig?” vroeg ze op een dag. “We groeien helemaal uit elkaar.” Het kwam er verwijtend uit alsof het allemaal aan mij lag terwijl ik al zo vaak had aangegeven dat het een wisselwerking was.
“Straks is het te laat, en heb je spijt. Je hebt maar één moeder.”
Vanmorgen vroeg, nog voor de vogels hun ochtendlied zongen, ging de telefoon.
“Mevrouw Maas?” U spreekt met het Boerhaave Ziekenhuis. Uw moeder is opgenomen, ze heeft een hersenbloeding gehad. Ze ligt in coma.
Hoe vaak had ik aan dit moment gedacht? Aan het moment dat ze dood zou zijn. Wat zou ik voelen? Opluchting of spijt? Wat had ik nog willen zeggen of met haar doen?
Ik had er alleen nooit bij stilgestaan dat ik bewust afscheid zou gaan nemen. Gehoor zou geven aan haar laatste dwingende wens.
Nog 5 kilometer te gaan. De kilometerteller tikt de meters weg en de klok de minuten. Minuten waarin het moment van afscheid korter wordt en ik haar het leven zal gaan benemen. “geen kasplantje mama, ik heb het je beloofd.”

Elvis has left the building (eindopdracht schrijfcursus schrijfatelier Alicia)

elvis

Dit verhaal is fictie. Elke overeenkomst met bestaande personen en/of organisaties berust op toeval.

Het is een eindopdracht van de schrijfcursus Gevorderden van Schrijfatelier Alicia.
Met dank aan mijn geweldige lerares Alicia Kok.

Een secretaresse krijgt haar ontslag en samen met haar voorgangsters beraamt zij een plan op wraak.

 

De ruitenwissers gaan gestaag heen en weer. De cadans is hypnotiserend. De lucht in mijn achteruitkijkspiegel is donkergrijs, bijna zwart. De lichten van de achtervolgende auto’s steken fel af tegen deze onheilspellende achtergrond. Ik richt mijn blik weer op de weg voor me. De witte middenstrepen rijgen zich aaneen. Uit de boxen komt filmmuziek en de strijkers zwellen aan. De ruitenwissers versnellen als ik een vrachtwagen inhaal. Even zie ik niks door de enorme waterhoos die de grote wielen naast me veroorzaken. In een reflex laat ik het gaspedaal los om daarna onmiddellijk gas bij te geven, wetend dat ik dan sneller weer normaal zicht zal hebben. Mijn hart bonkt. Ik ben er voorbij. Wat een slechte weg.

De ruitenwissers gaan weer terug in het vorige ritme. Heen en weer, heen en weer, heen en weer. De muziek heeft zich ook aangepast. Alles is zo grijs. Zo somber, ik voel hoe de triestheid bezit van me neemt. Bijna een jaar rijd ik deze weg nu. Een uur heen en een uur terug. Ik heb er geen hekel aan. Integendeel. De wisselende seizoenen, de opkomende zon. De dauw op de weilanden. Het voorjaar, de zomer. Maar deze winter, deze winter is zo verrekte grijs. Nog maar een paar we en dan rijd ik deze dagelijkse rit niet meer. Dan is mijn contract ten einde.

Ik had nooit kunnen bedenken dat het niet verlengd zou worden. En hoewel ik zelf onlangs het besluit had genomen om op zoek te gaan naar wat anders, overviel het me vorige week toch wel dat Herman mij te kennen gaf dat ik niet de super-
secretaresse was die hij zocht. Mijn functioneringsgesprek was goed. Een jaar lang heb ik alle vernederingen van hem geslikt. Niks was goed maar dat is niet alleen bij mij zo; hij gaat tegen alle collega’s zo tekeer. Ik ben zijn zoveelste secretaresse: mijn voorgangsters zijn ziek geworden, overspannen geraakt, zelf opgestapt of binnen enkele weken, maanden door hem ontslagen. Niemand had het zo lang volgehouden als ik, elf maanden nu. ik had zelfs opslag gekregen. Nee, ik heb het echt niet zien aankomen.
Mijn lieve collega Vera heeft ook voor hem gewerkt. Na enkele maanden heeft ze intern gesolliciteerd voor een andere functie. Onder het mom van ‘daar kreeg ik een vast contract’, maar inmiddels weet ik wel beter. Ze werd er ook ziek van om voor Herman te werken. Haar enorme humor heeft me het afgelopen jaar geholpen om niet op te geven. Om iedere dag toch met plezier naar mijn werk te rijden. Als Herman het kantoor verliet, stuurde ik een mail rond: “Elvis has left the building”. Dan gingen alle deuren open en klonk er weer gelach door de gangen. Als hij in huis is, is de sfeer om te snijden. Een groot deel van het personeel zorgt ervoor dat ze een deel van de week op andere locaties kunnen werken om maar niet te veel bij hem in de buurt te zijn.

Mijn gedachten worden steeds zwartgalliger; ik zwelg in zelfmedelijden. Ik baal er enorm van dat het hem gelukt is in deze laatste weken om mijn zelfvertrouwen te laten verschrompelen als een aardappel. Hoe stoer heb ik niet maanden lang grapjes lopen maken op kantoor. Zoals die keer dat ik fakete dat de telefoonverbinding slecht was toen hij weer eens zo tekeer ging door de telefoon. “Herman? Herman, ik hoor je niet goed. Hoor je mij? Herman?” en ik gooide de hoorn erop. Lul. Mijn collega’s keken tegen me op door deze brutale zet.
En nu zie ik iedereen vol medelijden naar me kijken als hij weer eens tegen me tekeer is gegaan en ik met hangende schouders door de gang loop. Niemand is opgewassen tegen de terreur van deze man. Ze schijten in hun broek. Wat zou het toch heerlijk zijn als we verlost waren van die klootzak.

Ik draai het parkeerterrein op. Geschrokken realiseer ik me dat ik me de laatste twintig kilometer helemaal niet kan herinneren. Ik ben gewoon op de automatische piloot hier geraakt. Met de tag open ik de voordeur van het kantoorgebouw en loop linea recta naar het kantoor van Sabrina.
“Jeetje meid, wat zie jij eruit. Heb je onderweg soms een spook gezien? “Hij moet eraan, Sabrina. En jij moet me helpen.”
“Ik doe mee, dat weet je. En ik zal je eens wat zeggen. Ik ben er ook al dagen over aan het fantaseren. Nog nooit eerder had ik zo’n leuke collega als jij en je verdient het niet om zo als vuil bij het afval gezet te worden. Ik bel Hanneke. Ik ben ervan overtuigd dat zij ook mee wil doen.”

Er volgen enkele telefoontjes en diezelfde avond zitten we met zes ex-secretaresses in de vergaderkamer om een plan te beramen onze baas een toontje lager te laten zingen. Saskia werkt inmiddels in het ziekenhuis en kan makkelijk aan slaappillen komen. Sabrina heeft een kat die diabetes heeft en dagelijks injecties moet krijgen. Ze kan insuline meebrengen. Dat is niet traceerbaar in het bloed. De vraag is alleen wanneer we het gaan doen.
We besluiten om ons plan direct al diezelfde week ten uitvoer te brengen. Sterker nog, over twee dagen. Sabrina is een open boek en ook bij mij kun je alles direct van mijn gezicht aflezen. Daarom mag de spanning er niet te lang ingehouden worden.
Donderdag is het Hemelvaart. Op vrijdag is het kantoor gesloten, iedereen heeft vrij. Ik heb in de agenda van Herman op woensdagavond nog een overleg ingepland. Hij sputterde wel tegen, maar ik weet uit ervaring dat hij de klachtencommissie nooit een strobreed in de weg legt.

Om klokslag acht uur loop ik zijn kantoor binnen met een dienblad met kopjes. De werkster is net vertrokken. Ik zet de kopjes op zijn grote designtafel. Oortjes naar rechts, lepeltjes precies recht. Waterglazen op twee centimeter ernaast. Dat had ik snel door de eerste dagen; Herman is zeer precies en alles moet perfect zijn. O wee, als de bureaulamp niet op tien centimeter van de hoeken van zijn bureau staat en het pennenbakje niet loodrecht bij zijn vloeiblad ligt. Obsessief gedrag dat zelfs verder reikt dan zijn eigen kamer. Ook mijn bureau moet eraan geloven. Dagelijks ordent hij mijn nietmachine, perforator en pennenbakje.
De dames van de klachtencommissie drinken allemaal thee. Dat maakt het makkelijk om de speciale koffie voor Herman te serveren. Omdat hij altijd een half uurtje van tevoren zijn stukken gaat voorbereiden kan hij zijn eerste kopje al krijgen.
Ik hoor zijn zware stappen door de gang en even later staat hij in zijn kantoor.
“Koffie graag en ik wil niet gestoord worden. Moet nog telefoontje plegen,” en hij wappert met zijn hand als teken dat ik zijn kamer moet verlaten. Ik schenk de koffie in, voeg melk en suiker toe en maak dat ik wegkom. Ik heb een flinke scheut laxeermiddel in zijn koffie gedaan, dus hij zal zo wel buikkrampen krijgen.
Met kloppend hart pak ik mijn mobieltje uit mijn tas die onder mijn bureau staat.
‘FASE 1 is gestart’ typ ik in een whatsappje en stuur het naar ‘kantoormeisjes’.
Het wachten duurt een eeuwigheid.
Ik hoor de deur van Herman’s kamer openvliegen en ik zie hem gehaast het herentoilet inschieten. De geluiden spreken voor zich: het gaat er spetterend aan toe.
‘Fase 2 bevestigd’, app ik weer naar ‘Kantoormeisjes’.
Even later gaat de deur weer open en Herman wast zijn handen bij het fonteintje. Hij plenst wat water in zijn gezicht. Hij ziet af, ik zie het aan zijn gehele houding. Net goed, gniffel ik bij mezelf. Tijdens zijn korte afwezigheid heeft Saskia water ingeschonken in zijn glas. Hierin is een sterk slaapmiddel opgelost. Verse muntblaadjes verdoezelen de smaak.
Het laxeermiddel is nog niet uitgewerkt, want na een tiental minuten komt Herman weer gehaast voorbij gestoven, opnieuw het herentoilet in.
Ditmaal duurt het erg lang voor de deur weer opengaat.
‘Fase 3 geloof ik’, typ ik gehaast in en druk op Send.
Patricia komt mijn kamer binnen. Ik wijs naar het toilet. Ze loopt tot aan de deur en legt haar oor ertegen. Ze gebaart dat ik moet komen. Ook ik leg mijn oor tegen de deur. Niks, we horen helemaal niks.
Ik klop op de deur: “Herman, gaat het?” roep ik. Geen reactie.
Saskia is inmiddels ook bij ons komen staan. Ze kijkt op haar horloge. “Het werkt,” zegt ze.
Opnieuw typ ik een bericht in via What’s app: ‘Fase 4 definitief’.
Met zijn allen staan we nu voor de dichte toiletdeur. Sabrina haalt een schroevendraaier uit haar kontzak en draait de schroef van het slot om. We openen de deur en daar zit hij. Scheefgezakt op het toilet, zijn witte, harige benen uiteen en met zijn broek op de enkels.
Vera maakt een foto, en nog eentje extra voor het geval dat.
We krijgen de slappe lach, deels van de zenuwen maar ook van het beeld die grote lul er zo hulpeloos bij te zien zitten.
Nu moeten we besluiten wat we verder doen. Gaan we de insulinespuit toedienen? Dat betekent het einde en maakt ons moordenaars, of in elk geval medeplichtig. Kunnen we dat zomaar doorzetten? Wat als ze erachter komen, dan draaien we de bak in. Alle levens verwoest en dan heb ik het nog niet over het leven van onze gezinnen. Ik begin te twijfelen en word misselijk. Nog net op tijd kan ik de deur naar het damestoilet openen en kots in de wc.
“Oei, voel je je niet goed?” vraagt Sabrina achter me en en wrijft over mijn rug. Als er niks meer uit mijn maag komt, sta ik op en draai me om naar het fonteintje om mijn mond te spoelen en handen te wassen.
“Sorry meiden, ik kan het niet”.
“Kom op, doorzetten nu. We gaan niet terugkrabbelen.” Patricia is vastberaden.
Ze trekt de insulinespuit uit de bibberende handen van Sabrina. Ik kijk Sabrina aan en zie in haar ogen dat zij ook twijfelt. Het is niet dat ze niet durft, maar mogen wij zomaar over het leven van iemand anders beslissen? Hem uit de weg ruimen is ook een obsessie geworden, voor ons allemaal. Ik zie het in de verwilderde blik van Sabrina, maar ook in de vastberaden trek rond de mond van Vera. Ik had me niet gerealiseerd dat het bij ons allemaal zo diep zat. Dat een baas zijn secretaresses tot zo’n daad kan drijven.
“Time out,” zegt Hanneke. Zij is nog de meest nuchtere van ons allen.
“We gaan eerst een kop koffie pakken en eens rustig nadenken. Hij blijft nog wel even zitten,” zegt ze, terwijl ze met haar hoofd naar Herman gebaart, die nog steeds bewegingsloos op het toilet hangt.
We schrikken op als we voetstappen horen op de trap. Verschrikt kijkt iedereen me aan. “Verwacht je iemand? Had Herman toch een afspraak?”

De deur zwaait open en daar staat Jeroen. Onze controller.
“Wat is hier aan de hand?” Verbaasd kijkt hij van de een naar de ander. Hoe meer oud-secretaresses hij ziet, hoe verbaasder hij lijkt te worden. “Hebben jullie een reünie dames?”
We reageren nauwelijks en staan verstijfd bij elkaar. Dan ziet hij de open deur van het herentoilet. Hij loopt op Herman af.
“Het is niet wat het lijkt,” Patricia is de eerste die haar stem terugvindt. “Hij is slechts verdoofd. We halen een grap met hem uit.” Haar hand met de spuit is achteloos achter haar rug verdwenen.
“We hebben een foto gemaakt,” zegt Vera. “We willen hem alleen een lesje leren.”
Dan breekt er een lach op Jeroens gezicht door. “De dames hebben eindelijk ballen gekregen.”
Hij loopt iets verder naar Herman toe. We staan in een halve cirkel achter hem en Sabrina zegt: “Nou hebben we hem te kakken gezet, he?”
Dan steekt Jeroen zijn hand uit en legt twee vingers in de hals van Herman.
Zijn lach besterft op zijn gezicht. “Elvis has left de building.”

Onderaards – deel 17

grot

Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt…

 

 

 

 

De volgende ochtend word ik stijf wakker, de harde vloer en het verplicht in één houding moeten liggen is niet bevorderlijk voor mijn rug. Moniek ligt nog te slapen. Guido is nergens te bekennen.
Het is koud in de grot. Er komt licht binnen via een spelonk en ik vang een glimp op van de blauwe lucht ver boven mij. Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt vandaag,  maar na gisteren durf ik nergens meer op te hopen en mijn angst om wat die gestoorde gek vandaag met ons van plan is, neemt bezit van mijn hele wezen. Ik begin te trillen en mijn hart slaat op hol. Mijn ademhaling gaat gejaagd en ik voel mijn slokdarm branden. Alles gaat draaien en mijn oren suizen. Wanhopig ruk ik aan de ketting. Ik wil weg, vluchten. Ik moet hier weg.

‘Saskia!’
Een klap tegen mijn wang brengt me terug uit de duisternis.
‘Jeetje meid, je laat me schrikken, je lag helemaal raar te doen in die slaapzak’. Moniek zit op haar knieën naast me.
Ik begin te huilen. ‘Ik ben zo bang, zo bang.’
‘Niet aan toegeven. Kom, gisteren was je zo sterk. We helpen elkaar. Samen kunnen we dit aan. Laat me niet in de steek. Ik heb jouw kracht nodig Sas, anders red ik het ook niet.’
Met betraande ogen kijkt Moniek me smekend aan. Ik zie mijn angst in haar irissen weerspiegelen.
‘Ach wat een ontroerend tafereeltje,’ klinkt het opeens achter me.
Guido is terug.
‘Kan je ons losmaken, we moeten plassen.’
Hij haalt de sleutel van zijn riem en maakt onze ketting die aan de muur geketend is, los. Moniek helpt me omhoog en voetje voor voetje schuifelen we naast elkaar met onze vastgebonden enkels een stukje verder de grot in.

Als we terug sukkelen is Guido al weer bezig met het kampvuurtje en in een mum van tijd vult de geur van verse koffie onze neusgaten. Hij duikelt uit de koelbox een paar pakketjes op waar sandwiches in blijken te zitten.
Het zachte witte kadetje plakt als een bal in mijn droge mond. Ik krijg het nauwelijks doorgeslikt. Mijn verstand zegt dat ik moet eten, mijn zenuwen vertellen een ander verhaal en met de grootst mogelijke moeite lukt het om het kleffe broodje naar binnen te werken. De warme koffie brengt me enigszins een beetje tot rust.
‘Genoeg getreuzeld dames. Klaar voor een nieuwe uitdaging?’
Geroutineerd dooft Guido het vuurtje door er zand over de schoppen met zijn  North Face bergschoenen. Hij legt de slaapplekken netjes en het lijkt alsof niemand hier de nacht heeft doorgebracht.

‘Kom schatjes, vandaag het echte werk.’
We strompelen achter hem aan en gelukkig komen onze stramme spieren door de zonnestralen en het hoge wandeltempo van onze “Gids” weer op temperatuur en terug in hun oorspronkelijke soepele vorm.

Onze “toeristische” wandeltocht leidt ons langs smalle paadjes, vlak langs de afgrond. Het kost ons dan ook onze uiterste concentratie om in de pas te lopen, aangezien we nog steeds met een handboei aan elkaar vastzitten en onze voeten maar een meter uit elkaar kunnen door de enkeltouwen. Ondanks mijn enkel-hoge outdoorschoenen en speciale wandelsokken, snijdt het touw in mijn enkels. Het klinkt raar maar het is prettig om lichamelijke pijn te voelen. Het leidt me af van gepieker en houdt me scherp bij elke stap die ik weloverwogen zet.
Links van ons kronkelt een riviertje, er zijn geen kano’s te bekennen dus daar hoeven we geen hulp van te verwachten. Het pad maakt een bocht en de begroeiing neemt toe. Het pad is overwoekert met grasachtige planten en mossen. Je kan zien dat hier niet veel mensen lopen, heel anders dan over de paden waar we eerst liepen. Steeds meer krijg ik het gevoel volledig van de buitenwereld gescheiden te worden. Er volgt een nieuwe bocht en de rivier wordt aan ons zicht onttrokken. Mijn laatste vleugje hoop op redding door toevallige passanten verdwijnt als sneeuw voor de zon.
Net wanneer ik moe begin te worden en wil vragen om een korte stop bots ik abrupt tegen Moniek op.
Guido heeft zijn rugzak op de grond laten zakken en tuurt omhoog. Ik volg zijn blik en mijn hart staat stil. Het is een vrij steile rots waar haken is bevestigd zijn en waar enkele touwen naar beneden hangen, lichtjes bewegend in de flauwe wind.

Onderaards – deel 16

grot
‘Doorzetten Moniek, probeer het opnieuw. Concentreer je. Denk aan je sterke spieren. Jij zit toch op fitness. Gebruik je been en armspieren.’ Ik sta te trillen op mijn benen en machteloos kijk ik naar de strijd van mijn collega die op dat moment al zoveel meer voor me is gaan betekenen.
Het feit dat haar benen aan elkaar vast geketend zitten maak het er niet makkelijker op.

Als haar ene voet bijna in een stuk van de hangbrug kan haken hangt het andere been als een zwaargewicht eraan en is de poging weer mislukt.
‘Het gaat niet’ roept ze.
‘Jawel, je was er bijna. Probeer het nog een keer.’
‘Ja, goed zo. Zie je wel.’ Blij zie ik hoe haar ene hiel in een gat haakt van de hangbrug en ze haar andere been bij kan trekken. Voorzichtig verplaatst ze haar handen en nu hangt ze als een hangmat te bungelen.  Ik laat haar heel even tot rust komen maar ga dan verder met aanwijzingen geven.

‘Probeer je voeten om hoog te krijgen Moniek zodat je je benen om het dikste koord kunt slaan. Dan kan je deze kant op tijgeren.’
‘Even wachten, ik moet even uitrusten. Ben zo moe.’
‘Nee kom op nou. Straks wordt het donker. Schiet op Mo.’
Guido heeft zijn blik van Moniek losgemaakt en kijkt naar mij.
‘Jij kan nog eens iemand aansporen zeg.’ Ik durf te wedden dat die bitch anders de moed had opgegeven en naar beneden was gedonderd’.
Mijn ogen zijn geen moment van het tafereel dat zich aan de hangbrug voltrekt, afgewend terwijl ik hem met opeengeklemde tanden toe sis: ‘jij bent ziek, weet je dat?’

Moniek heeft haar voeten om de touwen heen kunnen slagen en begint langzaam stukje voor stukje onze kant op te schuiven.
‘Ja goed zo, zo gaat het goed. Op je gemakje. Kom maar.’
Na een eeuwigheid is ze bijna bij de kant en ik kan net ver genoeg naar voren stappen om haar beet te pakken.
Trillend en snikkend vallen we in elkaars armen.
‘Hoe ontroerend. Missie geslaagd.’ Klinkt het smalend.
Moniek laat zich huilend op de grond zakken en begint daarna over te geven. Ik wrijf over haar rug.

Guido heeft inmiddels de handboeien alweer tevoorschijn gehaald en maakt ons aan elkaar vast. Daarna snijdt hij het andere touw van de hangbrug door zodat de hele brug aan onze kant loslaat en met een luid zwiepend geluid naar beneden suist en dan tegen de rotswand aan de overkant blijft hangen.

‘Kom genoeg geleuterd. We moeten verder.’
Ik help Moniek overeind komen en steun haar terwijl ze strompelend achter Guido aan begint te lopen. Het is bijna donker als we bij een rotspartij uitkomen. Guido pakt een soort mijnwerkerslamp en bevestigd deze met een band rond zijn hoofd. Hij pakt een stuk touw en bindt dit rond zijn lichaam en vervolgens rond het mijne.

‘Goed achter mij aan blijven lopen,’ gebiedt hij. We lopen de ingang van de rots in en na een halfuurtje komen we in een open ruimte. Met verbazing zie ik dat het een soort kampeerplaats is. Er ligt een kampvuur klaar van gestapeld hout en een aantal provisorische slaapplaatsen. En er staat een koelbox. Mijn hersenen draaien overuren. Ofwel onze gids heeft alles goed voorbereid, of hij heeft hulp van iemand anders.

Guido gooit zijn rugzak op de grond en maakt het touw waarmee ik aan hem vastzat los. Onze handboeien blijven aan, evenals de touwen rond onze enkels.
‘Ga maar zitten.’
We laten ons op één van de slaapplekken zakken en zitten met de ruggen tegen elkaar aan om wat steun te vinden.

‘Jullie hebben goed werk verricht dames. Daarom hebben jullie wel een warme maaltijd en wat rust verdient. Tenslotte moeten jullie in tiptop conditie zijn voor morgen. Er staat jullie een mooie uitdaging te wachten. Vandaag was slechts een voorproefje van onze survival of the fittest.’

Hij steekt het vuur aan en pakt twee wegwerp barbecues vanachter de koelbox vandaan.  Vakkundig trekt hij de verpakking eraf en maakt de kooltjes aan. Het deksel gaat van de koelbox en enkele vleespakketten komen tevoorschijn. De worstje en spiesen gaan op de barbecue en een heerlijke geur verspreidt zich in de grot. Het kampvuurtje knettert en geeft een behaaglijke warmte. Als we niet gevangen waren zou het haast gezellig kunnen zijn. De warme maakt me loom en de gebeurtenissen van de dag eisen hun tol. Mijn ogen vallen dicht.

‘Wakker worden.’ Een harde schop tegen mijn benen brengt me met een schok terug in de harde werkelijkheid. Even vraag ik me af waar we zijn maar dan komt het besef als een mokerslag binnen. Moniek was ook in slaap gevallen en ik voel haar verstijven als ook haar droom weer plaatsmaakt voor de nachtmerrie waarin wij ons bevinden.

We krijgen een plastic bord voor ons gezet met diverse stukken vlees en een stuk brood. En een geopend blikje cola.
Met onze vrije hand stoppen we gulzig als een stel uitgehongerde honden een stuk brood in onze mond. Het vlees is nog te warm en moet even afkoelen. Ondanks alle ellende smaakt deze maaltijd goed en eten we allebei ons bordje leeg.
Na het eten moeten we ons klaarmaken voor de nacht want Guido wil vroeg vertrekken.|
Hij laat ons een eindje verderop plassen. Het doet me al niks meer dat hij vlak bij ons staat. De schaamte voorbij. Overleven is onze drijfveer.

Guido maakt onze gezamenlijke handboei los en ketent ieder van ons weer met een ketting in een ring aan de rotswand, lang genoeg om toch in de slaapzak te kunnen kruipen.

Het duurt niet lang voor ik wegglijd in een rusteloze slaap

Onderaards – deel 15

grot

Hijgend staan we te wachten wat Guido met ons van plan is. De zon is al aan het ondergaan. Is dit werkelijk nog maar de eerste dag van ons gevangenschap?Guido bukt en pakt een touw uit zijn rugzak. Er hangen lederen riemen aan. Wat is dat voor een ding?

 

 

 

Al snel wordt duidelijk waar het voor dient. Hij knielt naast mijn voeten en maakt een riempje vast rond mijn ene enkel en het andere rond mijn andere. De twee riempjes zijn verbonden met een stuk touw van zo’n halve meter. Je kan er dus mee lopen maar niet mee rennen. Moniek krijgt eenzelfde geval aan haar enkels.

Dan maakt hij onze handboeien los.
‘Zo dames, jullie snappen vast de bedoeling. We gaan over de touwladder naar de overkant. Probeer maar niet te ontsnappen want ver zal je niet komen. Eén van jullie twee mag alvast met mij mee. De andere komt als wij aan de overkant zijn. We gaan tossen wie met mij mee mag.”
Hij graait in zijn broekzak en pakt er een euro uit. ‘Kop of munt?’ Hij kijkt me vragend aan.
‘Kop.’
Hij gooit het muntstuk in de lucht en laat het op de grond vallen. ‘Jij hebt geluk dame, je mag met mij de oversteek maken. Al ligt jouw lot in handen van je vriendin.’
Hij haalt een mes uit zijn broekriem en voor ik het weet heeft hij me beet met het mes tegen mijn keel. ‘Als jij het in je koppie haalt om te vluchten terwijl wij de brug overgaan, snijdt ik haar keel open.’
Moniek kijkt ons angstig aan. ‘Ik zal niks doen, ik beloof het.’
‘Dat is dan duidelijk.’ Hij laat me los, steekt zijn mes terug en pakt zijn rugzak op.
‘Let’s go.’
Ik moet voor hem lopen en zet mijn eerste stap op het touw. Mijn beide handen grijpen stevig de touwen aan weerszijden vast en ik kijk naar beneden om te zien waar ik mijn voeten het beste kan plaatsen. Er zijn geen plankjes, de touwladder bestaat alleen maar uit dik geknoopte kabel.
Voetje voor voetje ga ik voorruit. Hoe verder ik van de kant kom, hoe dieper het ravijn onder me zichtbaar wordt. Ik stop en verstijf. Durf geen stap meer te verzetten. Dan voel ik gewiebel en slaak een gil.
‘Gewoon vooruit kijken en doorlopen, er kan niks gebeuren,’ hoor ik achter me.
Het lijkt een eeuwigheid te duren maar dan heb ik toch eindelijk de overkant bereikt.
Guido pakt een nieuw touw en maakt me vast aan één van de palen waar de hangbrug aan is bevestigd.
Hij roept naar Moniek dat zij moet komen.
Als ze halverwege de hangbrug is haalt Guido opeens zijn mes tevoorschijn en snijdt een kabel door. Er klinkt een harde knal als een andere kabel eveneens knapt en de hangbrug voor een deel losschiet. Moniek gilt en hangt met twee handen te bungelen.
Ik gil ook en krijg een klap tegen mijn gezicht. ‘Stop met gillen, zeg liever wat ze moet doen, dit is teambuilding pur sang. Daar kwamen jullie toch voor?’

‘Moniek, luister naar me. Niet naar beneden kijken. Moniek?’ Ik roep zo hard als ik kan.
‘Trek je benen op en probeer ze rond het touw te slaan.’
‘Help, help me dan toch,’ roept ze bang.
‘Je wou toch survivallen?’ roept Guido lachend.
Moniek hangt nog steeds hulpeloos aan de brug.
Ik weet dat hou langer ze blijft hangen, hoe moeilijker het wordt om haar lijf omhoog te trekken. Nog een en dan zullen haar handen loslaten.
‘Kom op Moniek, trek je benen op. Je kunt het. Sla ze rond het touw en tijger naar hier. Ik weet dat je dat kan. Laat me hier niet alleen achter met die gek. Kom, doe je best.’
Moniek begint te schommelen net wanneer ze bijna haar ene been rond het touw kan slaan schiet haar rechterhand los. Ze valt een stukje naar beneden maar kan gelukkig nog net een ander stuk touw vastgrijpen. Eigenlijk is dit beter, deze kabel is dunner en hier kan ze haar hand doorsteken en een draai maken zodat het touw rond haar polsen zit. Deze verstevigde grip geeft meer vertrouwen en ik begin haar opnieuw aan te moedigen.
Naast me hoor ik Guido een raar geluid maken. Ik kijk en zie tot mijn ontzetting dat deze strijd van Moniek hem op een of andere zieke manier opwindt.
Op dat moment dringt tot me door dat we met een psychopaat te maken hebben.

deel 14 – Onderaards

grot

Volgens mij rijden we over een snelweg want het gehobbel over het oneffen terrein heeft plaatsgemaakt voor een soort constant gezoef en ik hoor auto’s die ons inhalen.
We raken alle besef van tijd kwijt terwijl het busje ons steeds verder wegvoert van de anderen.

 

 

‘Wat denk je, zou de rest ons al als vermist hebben opgegeven?’ vraagt Moniek. Haar stem klinkt gedempt door de zak die nog steeds over ons hoofd zit.

‘Ze zullen vast naar ons op zoek zijn maar vermist ben je volgens mij. pas als je 24 uur geen teken van leven hebt gegeven. Maar ik hoop dat ze Thom al gevonden hebben, dan weten ze in ieder geval dat we niet zomaar verdwaald zijn,’ antwoord ik.
Thom, zou hij nog leven? Hij had een lelijke wond in zijn hoofd maar ik weet niet of Moniek dat gezien heeft.
‘Heb jij Thom nog gezien dan?’
‘Hij lag achter jou, had ook een klap op zijn hoofd gehad, maar meer weet ik niet want ik ben daarna zelf buiten bewustzijn geraakt.’
‘Dus je weet niet of?’ De stem van Moniek stokt en ze maakt haar vraag niet af.
‘Of hij daar nog ligt of is weggekomen? Nee, dat weet ik niet.’
‘Denk je dat hij?’ Opnieuw kan Moniek de woorden niet over haar lippen krijgen.
Ik zwijg. Ik wil er niet over nadenken, kan er niet aan denken dat hij misschien wel dood is.

De auto draait een bocht in. We vallen om. Hij stopt en trekt vervolgens weer op. Het lijkt minder snel te gaan dan eerst. Opnieuw wordt er afgeremd. Opnieuw een bocht. Dan hobbelen we over een oneffen weg. Vloekend proberen we ons zittend te houden. De weg is niet al te best.
Mijn hart begint weer als een razende te bonzen. Het gevaar neemt toe. Ik voel het.
Na een tijdje staan we stil. Ik hoor de klik van het portier en geschommel en vervolgens de klap van de dichtslaande autodeur. Dan vliegt onze schuifdeur open. Ik voel iets aan mijn hoofd en dan wordt de kap afgetrokken. Eindelijk, frisse lucht. Ik haal diep adem. Mijn ogen doen zeer door het plotselinge licht al is het gedempt door de bomen.
Moniek is ook van haar kap verlost en onze blikken kruisen elkaar. Angst is ook in haar ogen te lezen of is het de spiegeling van mijn eigen vrees?
‘Kom uitstappen. Het is straks donker en we moeten de eerste uitdaging nog nemen.’ Guido trekt aan mijn arm en Moniek volgt zo snel ze kan want we zitten nog steeds aan elkaar vast. Guido giet benzine uit een jerrycan in de laadruimte van de bus en gooit er dan een lucifer in.
‘Run for life’ roept hij en we zetten het op een lopen. Het geknetter van het vuur overstemd onze gejaagde ademhaling en opeens horen we een harde knal. Ik kijk over mijn schouder en zie het busje volledig in de fik staan. Als daar maar geen bosbrand van komt, schiet het door mijn hoofd. Ik kijk weer voor me want rennen over de ongelijke grond valt niet mee als je aan elkaar vastzit geketend.

Ik hoor Guido achter ons lopen.
‘Go, Go Go.’ Net wanneer ik denk dat mijn longen in brand staan roept hij ‘ho maar.’
We zijn aan het einde van het bos en komen op een open plek. Het is er rotsachtig. Opeens zie ik een hangbrug naar de overkant. We staan bijna bij de rand als Guido zijn rugzak op de grond laat vallen.

Onderaards – deel 13

grot
Guido klinkt onze handboeien weer vast aan de ring in de muur. Vervolgens haalt hij uit zijn achterzak enkele tyraps.
‘Handen op de rug’ gebiedt hij. Vakkundig maakt hij mijn vrije hand vast aan de geboeide hand en doet hetzelfde bij Moniek. Daarna trekt hij een zwarte stoffen zak over ons hoofd.

 

 

Paniekerig schud ik met mijn hoofd maar hij heeft het koord wat eraan zit aan licht aangetrokken zodat de zak met geen mogelijkheid van mijn hoofd gaat. Mijn ademhaling gaat gejaagd en ik verman mezelf tot kalmte. Hyperventilatie is het laatste waar ik op zit te wachten. Ik moet mijn hoofd koel houden.
Hij maakt de boeien los van de ring in de muur en trekt ons mee.
Ik hoor de deur open gaan en even later voel ik een tochtvlaag langs me heen strijken. We staan ofwel buiten, of in een gang. Het is donker dus ik heb geen idee.
Het is verrassend hoe snel je andere zintuigen zich aanpassen als je niets kan zien. Zo constateer ik dat de lucht die ik inadem muf ruikt. Naar alle waarschijnlijkheid bevinden we ons dus nog in de grot of tenminste toch onderaards.

‘Waar breng je ons naartoe’ hoor ik Moniek gesmoord vragen.
‘Dat merken jullie vanzelf. Geen vragen meer stellen en doorlopen.’
De grond onder mijn voeten is ongelijk en het kost me moeite om niet te struikelen.
Wat is die gek met ons van plan?
‘Bukken’ zegt Guido. Terwijl ik naar voren buig, verlies ik mijn evenwicht en val voorover op mijn knieën. Moniek tuimelt over me heen en stoot zo te horen haar hoofd. ‘Au mijn kop.’
‘Vooruit dames, opstaan en doorlopen.’
Het plastic van de tyrap snijdt in mijn pols als we ons onhandig omhoog wurmen.
Ik voel een hand mijn hoofd omlaag duwen. ‘Bukken en zorg dat je weer niet valt.’

Hoe lang we zo verder strompelen weet ik niet. Ik ben alle besef van tijd kwijt maar opeens voel ik dat het warmer wordt en is de ondergrond onder mijn voeten anders.
Ik denk dat we buiten zijn. Het zwarte fluweel van de kap over mijn hoofd laat niets, maar dan ook helemaal niets van licht door.
‘Stop.’
We staan stil en ik hoor een klik, waarschijnlijk van een autoslot.
Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik het geluid van schuifdeur van een busje hoor opengaan.
‘Voeten optillen en in de camionette stappen’ zegt Guido.
Moniek klimt er eerst in en ik volg direct, Guido houdt mijn arm vast zodat ik mijn evenwicht kan bewaren. De ribbels op de vloer verraden dat we in een bestelwagen zitten en niet in een personenbusje, er zijn dus geen bankjes of autostoelen.
‘Geen luxe touringcar Ladies, excuses van de reisorganisatie. Ga maar op uw gat zitten.’ En een seconde later gaat de schuifdeur al dicht. Nog voor we de vraag kunnen stellen of die vreselijk kap af mag.
‘Godver, ik wil die verdomde kap af” zeg ik gefrustreerd.
‘Anders ik wel.’ Moniek schuurt met haar hoofd tegen mijn schouder maar tevergeefs. Het lukt niet omdat het koord te strak is aangetrokken.
We voelen het busje schommelen als Guido achter het stuur kruipt en de deur dichtslaat. Een fractie later wordt de motor gestart en hobbelen we over een oneffen pad of wat het ook is, waardoor we steeds hardhandig tegen de ijzeren carrosserie aanbotsen.
‘Wat is die gek met ons van plan?’
‘Als hij ons had willen verkrachten dan had hij dat in die grot of wat het ook was, gedaan.’
Ik voel het zuur weer omhoogkomen, achteruitrijden is nooit goed geweest voor mijn wagenziekte.