Archives for Belgische Ardennen

Onderaards – deel 17

grot

Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt…

 

 

 

 

De volgende ochtend word ik stijf wakker, de harde vloer en het verplicht in één houding moeten liggen is niet bevorderlijk voor mijn rug. Moniek ligt nog te slapen. Guido is nergens te bekennen.
Het is koud in de grot. Er komt licht binnen via een spelonk en ik vang een glimp op van de blauwe lucht ver boven mij. Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt vandaag,  maar na gisteren durf ik nergens meer op te hopen en mijn angst om wat die gestoorde gek vandaag met ons van plan is, neemt bezit van mijn hele wezen. Ik begin te trillen en mijn hart slaat op hol. Mijn ademhaling gaat gejaagd en ik voel mijn slokdarm branden. Alles gaat draaien en mijn oren suizen. Wanhopig ruk ik aan de ketting. Ik wil weg, vluchten. Ik moet hier weg.

‘Saskia!’
Een klap tegen mijn wang brengt me terug uit de duisternis.
‘Jeetje meid, je laat me schrikken, je lag helemaal raar te doen in die slaapzak’. Moniek zit op haar knieën naast me.
Ik begin te huilen. ‘Ik ben zo bang, zo bang.’
‘Niet aan toegeven. Kom, gisteren was je zo sterk. We helpen elkaar. Samen kunnen we dit aan. Laat me niet in de steek. Ik heb jouw kracht nodig Sas, anders red ik het ook niet.’
Met betraande ogen kijkt Moniek me smekend aan. Ik zie mijn angst in haar irissen weerspiegelen.
‘Ach wat een ontroerend tafereeltje,’ klinkt het opeens achter me.
Guido is terug.
‘Kan je ons losmaken, we moeten plassen.’
Hij haalt de sleutel van zijn riem en maakt onze ketting die aan de muur geketend is, los. Moniek helpt me omhoog en voetje voor voetje schuifelen we naast elkaar met onze vastgebonden enkels een stukje verder de grot in.

Als we terug sukkelen is Guido al weer bezig met het kampvuurtje en in een mum van tijd vult de geur van verse koffie onze neusgaten. Hij duikelt uit de koelbox een paar pakketjes op waar sandwiches in blijken te zitten.
Het zachte witte kadetje plakt als een bal in mijn droge mond. Ik krijg het nauwelijks doorgeslikt. Mijn verstand zegt dat ik moet eten, mijn zenuwen vertellen een ander verhaal en met de grootst mogelijke moeite lukt het om het kleffe broodje naar binnen te werken. De warme koffie brengt me enigszins een beetje tot rust.
‘Genoeg getreuzeld dames. Klaar voor een nieuwe uitdaging?’
Geroutineerd dooft Guido het vuurtje door er zand over de schoppen met zijn  North Face bergschoenen. Hij legt de slaapplekken netjes en het lijkt alsof niemand hier de nacht heeft doorgebracht.

‘Kom schatjes, vandaag het echte werk.’
We strompelen achter hem aan en gelukkig komen onze stramme spieren door de zonnestralen en het hoge wandeltempo van onze “Gids” weer op temperatuur en terug in hun oorspronkelijke soepele vorm.

Onze “toeristische” wandeltocht leidt ons langs smalle paadjes, vlak langs de afgrond. Het kost ons dan ook onze uiterste concentratie om in de pas te lopen, aangezien we nog steeds met een handboei aan elkaar vastzitten en onze voeten maar een meter uit elkaar kunnen door de enkeltouwen. Ondanks mijn enkel-hoge outdoorschoenen en speciale wandelsokken, snijdt het touw in mijn enkels. Het klinkt raar maar het is prettig om lichamelijke pijn te voelen. Het leidt me af van gepieker en houdt me scherp bij elke stap die ik weloverwogen zet.
Links van ons kronkelt een riviertje, er zijn geen kano’s te bekennen dus daar hoeven we geen hulp van te verwachten. Het pad maakt een bocht en de begroeiing neemt toe. Het pad is overwoekert met grasachtige planten en mossen. Je kan zien dat hier niet veel mensen lopen, heel anders dan over de paden waar we eerst liepen. Steeds meer krijg ik het gevoel volledig van de buitenwereld gescheiden te worden. Er volgt een nieuwe bocht en de rivier wordt aan ons zicht onttrokken. Mijn laatste vleugje hoop op redding door toevallige passanten verdwijnt als sneeuw voor de zon.
Net wanneer ik moe begin te worden en wil vragen om een korte stop bots ik abrupt tegen Moniek op.
Guido heeft zijn rugzak op de grond laten zakken en tuurt omhoog. Ik volg zijn blik en mijn hart staat stil. Het is een vrij steile rots waar haken is bevestigd zijn en waar enkele touwen naar beneden hangen, lichtjes bewegend in de flauwe wind.

Onderaards – deel 16

grot
‘Doorzetten Moniek, probeer het opnieuw. Concentreer je. Denk aan je sterke spieren. Jij zit toch op fitness. Gebruik je been en armspieren.’ Ik sta te trillen op mijn benen en machteloos kijk ik naar de strijd van mijn collega die op dat moment al zoveel meer voor me is gaan betekenen.
Het feit dat haar benen aan elkaar vast geketend zitten maak het er niet makkelijker op.

Als haar ene voet bijna in een stuk van de hangbrug kan haken hangt het andere been als een zwaargewicht eraan en is de poging weer mislukt.
‘Het gaat niet’ roept ze.
‘Jawel, je was er bijna. Probeer het nog een keer.’
‘Ja, goed zo. Zie je wel.’ Blij zie ik hoe haar ene hiel in een gat haakt van de hangbrug en ze haar andere been bij kan trekken. Voorzichtig verplaatst ze haar handen en nu hangt ze als een hangmat te bungelen.  Ik laat haar heel even tot rust komen maar ga dan verder met aanwijzingen geven.

‘Probeer je voeten om hoog te krijgen Moniek zodat je je benen om het dikste koord kunt slaan. Dan kan je deze kant op tijgeren.’
‘Even wachten, ik moet even uitrusten. Ben zo moe.’
‘Nee kom op nou. Straks wordt het donker. Schiet op Mo.’
Guido heeft zijn blik van Moniek losgemaakt en kijkt naar mij.
‘Jij kan nog eens iemand aansporen zeg.’ Ik durf te wedden dat die bitch anders de moed had opgegeven en naar beneden was gedonderd’.
Mijn ogen zijn geen moment van het tafereel dat zich aan de hangbrug voltrekt, afgewend terwijl ik hem met opeengeklemde tanden toe sis: ‘jij bent ziek, weet je dat?’

Moniek heeft haar voeten om de touwen heen kunnen slagen en begint langzaam stukje voor stukje onze kant op te schuiven.
‘Ja goed zo, zo gaat het goed. Op je gemakje. Kom maar.’
Na een eeuwigheid is ze bijna bij de kant en ik kan net ver genoeg naar voren stappen om haar beet te pakken.
Trillend en snikkend vallen we in elkaars armen.
‘Hoe ontroerend. Missie geslaagd.’ Klinkt het smalend.
Moniek laat zich huilend op de grond zakken en begint daarna over te geven. Ik wrijf over haar rug.

Guido heeft inmiddels de handboeien alweer tevoorschijn gehaald en maakt ons aan elkaar vast. Daarna snijdt hij het andere touw van de hangbrug door zodat de hele brug aan onze kant loslaat en met een luid zwiepend geluid naar beneden suist en dan tegen de rotswand aan de overkant blijft hangen.

‘Kom genoeg geleuterd. We moeten verder.’
Ik help Moniek overeind komen en steun haar terwijl ze strompelend achter Guido aan begint te lopen. Het is bijna donker als we bij een rotspartij uitkomen. Guido pakt een soort mijnwerkerslamp en bevestigd deze met een band rond zijn hoofd. Hij pakt een stuk touw en bindt dit rond zijn lichaam en vervolgens rond het mijne.

‘Goed achter mij aan blijven lopen,’ gebiedt hij. We lopen de ingang van de rots in en na een halfuurtje komen we in een open ruimte. Met verbazing zie ik dat het een soort kampeerplaats is. Er ligt een kampvuur klaar van gestapeld hout en een aantal provisorische slaapplaatsen. En er staat een koelbox. Mijn hersenen draaien overuren. Ofwel onze gids heeft alles goed voorbereid, of hij heeft hulp van iemand anders.

Guido gooit zijn rugzak op de grond en maakt het touw waarmee ik aan hem vastzat los. Onze handboeien blijven aan, evenals de touwen rond onze enkels.
‘Ga maar zitten.’
We laten ons op één van de slaapplekken zakken en zitten met de ruggen tegen elkaar aan om wat steun te vinden.

‘Jullie hebben goed werk verricht dames. Daarom hebben jullie wel een warme maaltijd en wat rust verdient. Tenslotte moeten jullie in tiptop conditie zijn voor morgen. Er staat jullie een mooie uitdaging te wachten. Vandaag was slechts een voorproefje van onze survival of the fittest.’

Hij steekt het vuur aan en pakt twee wegwerp barbecues vanachter de koelbox vandaan.  Vakkundig trekt hij de verpakking eraf en maakt de kooltjes aan. Het deksel gaat van de koelbox en enkele vleespakketten komen tevoorschijn. De worstje en spiesen gaan op de barbecue en een heerlijke geur verspreidt zich in de grot. Het kampvuurtje knettert en geeft een behaaglijke warmte. Als we niet gevangen waren zou het haast gezellig kunnen zijn. De warme maakt me loom en de gebeurtenissen van de dag eisen hun tol. Mijn ogen vallen dicht.

‘Wakker worden.’ Een harde schop tegen mijn benen brengt me met een schok terug in de harde werkelijkheid. Even vraag ik me af waar we zijn maar dan komt het besef als een mokerslag binnen. Moniek was ook in slaap gevallen en ik voel haar verstijven als ook haar droom weer plaatsmaakt voor de nachtmerrie waarin wij ons bevinden.

We krijgen een plastic bord voor ons gezet met diverse stukken vlees en een stuk brood. En een geopend blikje cola.
Met onze vrije hand stoppen we gulzig als een stel uitgehongerde honden een stuk brood in onze mond. Het vlees is nog te warm en moet even afkoelen. Ondanks alle ellende smaakt deze maaltijd goed en eten we allebei ons bordje leeg.
Na het eten moeten we ons klaarmaken voor de nacht want Guido wil vroeg vertrekken.|
Hij laat ons een eindje verderop plassen. Het doet me al niks meer dat hij vlak bij ons staat. De schaamte voorbij. Overleven is onze drijfveer.

Guido maakt onze gezamenlijke handboei los en ketent ieder van ons weer met een ketting in een ring aan de rotswand, lang genoeg om toch in de slaapzak te kunnen kruipen.

Het duurt niet lang voor ik wegglijd in een rusteloze slaap

Onderaards – deel 12

grot

 

Guido, onze gids en kidnapper, is zojuist onze grot of waar we ook gevangen zitten, binnengekomen.
Hij heeft eten en drinken gehaald.

 

 

Hij houdt de verpakte pakketjes voor ons neus: ‘smoske hesp of kaas?’

Aangezien ik geen kaas lust, kies ik voor de hesp. Het zal wel ham zijn, vermoed ik zo.
Guido gooit het broodje in mijn schoot. Met mijn vrije hand friemel ik het elastiekje eraf.
Het halve stokbroodje is rijkelijk belegd met sla, ham, tomaten en de rest kan ik niet zien want ik durf het niet open te duwen omdat het met één hand toch al lastig genoeg is om zo’n broodje te eten.
Ik neem een hap. In andere omstandigheden zou ik zeggen dat het heerlijk was maar op die koude stenen vloer, half vastgeketend kan ik niet genieten van dit broodje. Ik kijk opzij naar Moniek. Haar broodje ligt nog in het papier gerold op haar schoot. Ze zit wezenloos voor zich uit te staren.
‘Moniek’. Zachtjes fluisterend stoot ik haar aan. ‘Je moet eten, je hebt je krachten nodig’.
‘Ja Moniek’, zegt Guido smalend. ‘Luistert naar uwen vriendin, ik zou maar rap gaan eten want ik heb grootste plannen met jullie’.

Onhandig wriemelt Moniek met haar linker hand het papier los. Ze zet haar tanden in het broodje en haar kaken blijven malen. Moeizaam slikt ze haar eerste hap door.
‘Mogen we wat drinken?’ vraag ik met zo’n vriendelijk mogelijke stem.
Guido staat op van zijn kruk en opent een voor een de colablikjes. Hij zet ze naast ons neer. Hij is zo slim om het scherpe lipje er geheel af te trekken. Niet dat het direct een moordwapen was maar iets scherps komt altijd van pas.
De koele cola glijdt weldadig door mijn enigszins ruw aanvoelende keel. Ook Moniek drinkt gretig tussen de happen van haar broodje door enkele slokken uit het blikje om haar eten weg te spoelen.
Mijn maag doet raar, ik krijg het zuur maar verwoed slik ik het opkomende maagzuur weg. De korte afleiding van het eten is voorbij en de angst over wat ons te wachten staat slaat in alle hevigheid toe. Ik voel dat ik naar het toilet moet en niet om te plassen ditmaal. Shit, dat kan er nog wel bij. Mijn ogen hebben al eerder de emmer met deksel gespot in de hoek van deze hut of grot of wat het ook is. Maar de drang wordt groter en ik kan het niet uitstellen.
‘Ik heb een probleem, ik moet naar de wc.’
‘No problem schat, het wc is hier vlakbij,’ grinnikt Guido met enig leedvermaak.
‘Geen geintjes, ik zal jullie losmaken van de muur maar je blijft aan je vriendin vastzitten.’
Hij kijkt Moniek aan en zegt dat zij dan ook maar gelijk naar het toilet moet gaan. ‘Twee vliegen in één klap.’

‘Je snapt het misschien niet helemaal, maar ik moet meer dan alleen plassen,’ zeg ik zo ferm mogelijk. ‘Dat kan ik niet op een emmer, en al zeker niet met iemand anders erbij.’
‘Dat zal toch moeten meiske want het Hilton ligt in Antwerpen.’
De handboeien zijn los van de ketting in de muur en met stramme benen zijn Moniek en ik inmiddels gaan staan.
Er zal niets anders opzitten dan op die emmer te gaan. We strompelen naar de hoek en ik vraag of hij dan tenminste om wil draaien.
‘Ga jij maar eerst’ zeg ik tegen Moniek ‘want ik vrees dat ik zal stinken.’ Het is een gênant gebaar om met mijn geboeide hand tegen het kruis van Moniek te komen als zij met beide handen haar broek openmaakt en naar beneden trekt. Gehurkt plast ze in de emmer. Er staat een rol wc papier naast en onze handen werken samen om er een stuk van te scheuren. Ik wend mijn hoofd af wanneer haar hand tussen haar benen verdwijnt om zich schoon te vegen.
O mijn god, wat een vernederende situatie.
Als het mijn beurt is kijkt Moniek de andere kant op, spetterend komt mijn ontlading in de emmer en ik schaam me diep als de bijbehorende geur naar boven stijgt. Ik wil ter plekke doodvallen. ‘Nee dat wil je niet’, spreek ik mezelf vermanend in stilte toe.’
Ik hijs mijn broek weer op en doe snel het deksel op de emmer. Als ik me omdraai treffen onze ogen elkaar en Moniek knijpt de hare even samen dicht met een licht knikkend hoofdgebaar, me woordeloos moed insprekend.

Guide trekt zijn rugzak aan en hangt een aantal touwen kruiselings rond zijn lichaam.
‘Party-time ladies.’

Onderaards – deel 5

grot
Een reclamebureau gaat op teambuilding in de Belgische Ardennen…
Wat vooraf ging: Tijdens dag 1 staat een kanotocht op het programma. Een leuke competitieve dag waarin de onderlinge verhoudingen op de proef worden gesteld…

Wat een kick, zo’n waterval. Hoe zou het zijn om op een echte wilde rivier te varen in Frankrijk of Amerika?

Ik hoor gegil achter ons en kijk over mijn schouder. De kano van Karin en Thom is omgeslagen. Het emmertje dobbert op het water. Paul draait snel onze kajak en peddelt gestaag tegen de stroom in. Als we bij het emmertje zijn pakt hij het met één beweging uit het water onze kano in.
Karin en Thom hebben al zwemmend hun kano naar de kant geduwd. Daar liggen enkele stukken platte rotsblokken en Thom is hier al op geklauterd. Hij houdt de kajak stil en Karin probeert eveneens op de steen te klimmen. Ze was zo slim geweest om waterschoenen aan te trekken aan het begin van de tocht die dag en heeft daardoor grip op de glibberige stenen.
Inmiddels zijn ook de andere collega’s de waterval gepasseerd. Er is verder niemand omgeslagen. We hangen allemaal bij de rotspartij en proberen de ruzie tussen Thom en Karin te sussen. Karin is woest en Thom slingert zeer vrouwonvriendelijke opmerkingen naar haar hoofd.
Het is een ongemakkelijke situatie en eigenlijk zouden ze beter niet meer met zijn tweeën in de kajak moeten gaan, maar ruilen met anderen van onze groep is niet te doen want we kunnen nergens naar de kant om te switchen.
Paul stelt voor om naar de volgende stop te varen en daar weer een ruil te doen.
Ik vraag me af wie van de vrouwelijke collega’s nog bij Thom in zijn bootje wil stappen.
De stemming is tegelijk met de kajak van Thom en Karin omgeslagen. Gelaten peddelen we voort.
Perfecte opdracht voor een teambuilding schiet het door mijn hoofd.  Toch ben ik enigszins uit mijn evenwicht. Je zou toch denken dat de sfeer tijdens zo’n evenement niet al de eerste dag door één persoon zo verpest kan worden.
Na de volgende bocht komt er gelukkig een aanmeerplaatsje. Er is een kiezelstrandje en het ligt er vol met lege kajaks. Die van onze groep kunnen er amper nog tussen.
Iets verderop staat een houten chalet met een groot terras. Er klinkt vrolijke muziek en het gelach van andere gasten komt ons tegemoet.
‘Gelukkig, dit hebben we net even nodig,’ zegt Paul. Er klinkt enige opluchting in zijn stem.
Thom springt als eerste uit de kano naast ons en loopt met zijn hoofd gebogen, nors en met grote stappen richting het chalet. Hij helpt Karin niet eens uit de kano denk ik verontwaardigd maar zie ook wel in dat ze absoluut niet op hulp van hem zit te wachten.
Paul trekt me omhoog en helpt me uitstappen. ‘Wacht hier even,’ zegt hij en hij pakt de emmer van Karin en Thom. Hij draait zich naar Karin en steekt zijn hand uit.
‘Sta mij toe Princes,’ zegt hij terwijl hij diep buigt. Karin kan niet anders dan lachen als hij bijna zijn evenwicht verliest door de zware emmer in zijn linkerhand en de onhandige scheve stand op de oever met losliggende kiezels.
Ze stapt uit en Paul opent de emmer om er een droge handdoek uit te halen. Hij slaat deze om de schouders van Karin. ‘Zo dame, even iets droog aantrekken en dan een lekker wijntje, wat denk jij Saskia?’ Hij draait zich naar me toe. Gedrieën lopen we naar het chalet, Paul in het midden. Hij heeft zijn armen rond onze schouders geslagen. Ik voel de warmte door mijn lijf trekken. En wenste dat het Chalet kilometers verder lag.

Het Chalet maakt deel uit van een camping. Het is er gezellig druk. Er lijkt geen plaats te zijn maar een groep jongelui staat op als ze ons zien naderen.

Zo te zien hebben jullie wel een pint verdient en wij moeten weer verder’ zegt één van hen en maakt een uitnodigend gebaar.
Dankbaar nemen we plaats op de rieten stoeltjes. De ribbels snijden in mijn billen maar ik negeer het snel als ik de ober lang zie komen met grote glazen Belgisch Bier en Ice-tea.
Ik had me niet gerealiseerd dat ik zo’n dorst heb.
Paul neemt de leiding en vraagt iedereen wat ze willen drinken en houdt de passerende ober aan.
Enkele minuten later is iedereen van een drankje voorzien. De afdaling langs de watervallen wordt uitgebreid besproken, hier en daar stevig aangedikt.
Karin zit naast me, ik kan haar gezichtsuitdrukking niet zien. Ik zie haar handen even in de reling van de stoel knijpen en in een opwelling leg ik er even mijn hand op.
Ze draait haar hoofd en kijkt me aan, tranen staan in haar ogen. Thom is nergens te bekennen. Maar goed ook. Ik denk dat niemand behoefte heeft aan zijn bravoure gedrag.

Het is inmiddels al laat in de middag en we moeten nog een stukje varen tot het eindpunt. Paul staat op en loopt het chalet in. Karin en ik lopen naar het toilet.
‘Gaat het weer een beetje?’
‘Ja, maar ik ga niet meer met die klootzak in een bootje. No way.’
Ik knik begrijpend. We verdwijnen in de wc-hokjes en ik hoor de deur opengaan en de stemmen van Kelly en Moniek.
‘Een lul is het’
‘Ja, dat heeft hij vandaag maar weer eens bewezen. Altijd op haar katten. Dat gaat een teambuilding niet veranderen hoor’.
‘En gewoon omdat ze niet inging op zijn avances’.
Zouden ze weten dat het onderwerp van gesprek hier op het toilet zit, vraag ik me af.
Snel trek ik de wc door, open de deur en loop op Kelly en Moniek af. Ik maak een veelbetekenend gebaar met mijn hoofd naar de wc-deuren en vraag dan zo opgewekt mogelijk of zij weten hoe laat we bij de eindstop zullen zijn.
Kelly opent een wc-deur en antwoordt dat ze geen idee heeft.
Moniek steekt haar hand in haar kontzak en haalt er een plastic mapje uit. Verbaasd kijk ik toe hoe zij het programma eruit haalt. Helemaal droog. Wat slim van haar.
‘Om vijf uur, dus nog een uurtje. Dat gaat nog wel lukken toch?’
‘Ik hoop het, ik voel mijn armen wel hoor en mijn rug ook.’
‘Niks gewend jij. Ik roei dagelijks als ik naar de sportschool ga’, zegt Moniek. Ik kijk haar met open mond aan.
Op dat moment komt Karin uit het toilet.
‘Sinds wanneer ga jij naar een sportschool?’ vraagt ze spits.
Dan moet Moniek hard lachen.
‘Betrapt’ en ze verdwijnt ook de wc in.
We wassen onze handen en lopen terug het chalet in.
‘Dank je voor net’, zegt Karin.
‘Graag gedaan.’
De groep staat al bij de waterkant. Thom is nergens te bekennen.
Ik kijk Paul aan en vorm het woord Thom met mijn lippen.
Hij haalt zijn schouders op.
Als Moniek en Kelly zich ook bij ons hebben gevoegd stelt hij voor dat hij alleen in een kajak gaat en dat Karin en ik samen een kano delen.
‘En Thom dan?’ vraagt Wouter.
‘Ik zie hem nergens en hij neemt ook zijn telefoon niet op. We moeten verder want onze bus staat om vijf uur klaar om ons terug te brengen naar het hotel. Hij zal zijn plan wel trekken zeker.’