Archives for grot

Onderaards – deel 23

grot

Pieter probeert Max en zijn speurhond bij te houden, hij is geen held in onderaardse grotten en is blij dat er overal licht is in de grot. Na een tijdje komen ze in een soort zaal. Wodan, de Mechelse Herder snuffelt met zijn neus over de vochtige grond en blaft twee keer. Ze zijn hier geweest, dat is duidelijk.

 

 

Wodan loopt dan weer naar links en dan weer naar rechts, zoekend naar een spoor dat verder gaat. Opeens trekt hij naar rechts en gaat een gang in die niet meer verlicht is. Ze zetten de lampen aan boven op hun helm die de gang veranderen in een spookachtig geheel. Wodan is duidelijk iets op het spoor want hij loopt in één voorwaartse trek door. Hij blijft nergens treuzelen. Na een tijdje  wordt steeds krapper en al snel kan Pieter niet meer rechtop staan, op handen en knieën kruipt hij achter de anderen aan en overwint zijn schaamte door te roepen dat hij niet kan bijhouden. Ze houden in en Pieter kruipt dichterbij.

‘Gaat het chef? Max heeft zich omgedraaid en kijkt met dichtgeknepen ogen maar met een lach rond zijn kippen naar zijn baas. Hij weet dat deze het niet op krappe ruimtes heeft.
‘Ja, ja, doe maar voort maar niet te rap anders kan ik niet volgen’, bromt Pieter nors.
Het wordt nog krapper en ze moeten op hun buik door een smalle opening kronkelen. Pieters hart bonkt heftig. Hij is in vertrouwde handen hier met die gids, er kan niks gebeuren. Hij probeert zich te concentreren op de gezichten van de beide meisjes die  hij op de mobiele telefoon van Paul heeft gezien. Hij moet ze vinden.
Ze komen op een heel smal stuk en dan botst Pieter tegen de voeten van Steven aan.
‘We moeten terug naar achteren’, roept Max. ‘Wodan wil niet verder, hij wil terug.’|
‘Terug?’ roept Pieter verbaasd.
‘Ja naar achteren.’
Met moeite kronkelen ze terug naar achter tot ze bij een plek komen waar ze op hun hurken kunnen zitten. Steven pakt een kaart uit zijn zak en schijnt met de lamp op het gangenstelsel.
‘Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk, maar hier ergens is een zijgang die al jaren niet meer wordt gebruikt. Misschien dat we de hond daar even moeten laten snuffelen.’
Hij vouwt de kaart op en gaat voorop, Max en Wodan volgen hem op de hielen. Max heeft Wodan nogmaals aan het de kledingstukken van de meiden laten ruiken. Ze komen in een iets bredere ruimte en dan begint Wodan heel hard te blaffen. Hij snuffelt over de grond en wil geen meter meer verzetten.
Hij gromt en Pieters haren gaan overeind staan. Wodan gromt alleen als hij bloed ruikt. Max is al op zijn knieën gezakt en rommelt in zijn rugzak.
‘Lampen even uit’ gebiedt hij met barse stem.
Het blauwachtige licht van de ultravioletlamp schijnt over de rotsbodem. Het is duidelijk zichtbaar. Opgedroogd bloed, en niet zo’n beetje ook.
Max schraapt met een mes wat van het steengruis los en doet het in een plastic afsluitbaar zakje. Hij beloont Wodan en laat hem opnieuw aan de kleding van Moniek en Saskia ruiken.
Na enig gesnuffel gaat hij een zijgang in en blaft opgewonden. Na enig gesnuffel gaat hij weer terug en gaat vervolgens een andere gang in. Dan begint hij te trekken. Een nieuw spoor.
‘Dat kan toch niet waar zijn’, dit is de route naar de oude groeve. Waarom zijn ze zo naar de uitgang gegaan?’ Steven heeft zijn kaart weer gepakt.
Wodan blaft voor een grote houten deur. Er zit een geroest kettingslot op.

Onderaards – deel 12

grot

 

Guido, onze gids en kidnapper, is zojuist onze grot of waar we ook gevangen zitten, binnengekomen.
Hij heeft eten en drinken gehaald.

 

 

Hij houdt de verpakte pakketjes voor ons neus: ‘smoske hesp of kaas?’

Aangezien ik geen kaas lust, kies ik voor de hesp. Het zal wel ham zijn, vermoed ik zo.
Guido gooit het broodje in mijn schoot. Met mijn vrije hand friemel ik het elastiekje eraf.
Het halve stokbroodje is rijkelijk belegd met sla, ham, tomaten en de rest kan ik niet zien want ik durf het niet open te duwen omdat het met één hand toch al lastig genoeg is om zo’n broodje te eten.
Ik neem een hap. In andere omstandigheden zou ik zeggen dat het heerlijk was maar op die koude stenen vloer, half vastgeketend kan ik niet genieten van dit broodje. Ik kijk opzij naar Moniek. Haar broodje ligt nog in het papier gerold op haar schoot. Ze zit wezenloos voor zich uit te staren.
‘Moniek’. Zachtjes fluisterend stoot ik haar aan. ‘Je moet eten, je hebt je krachten nodig’.
‘Ja Moniek’, zegt Guido smalend. ‘Luistert naar uwen vriendin, ik zou maar rap gaan eten want ik heb grootste plannen met jullie’.

Onhandig wriemelt Moniek met haar linker hand het papier los. Ze zet haar tanden in het broodje en haar kaken blijven malen. Moeizaam slikt ze haar eerste hap door.
‘Mogen we wat drinken?’ vraag ik met zo’n vriendelijk mogelijke stem.
Guido staat op van zijn kruk en opent een voor een de colablikjes. Hij zet ze naast ons neer. Hij is zo slim om het scherpe lipje er geheel af te trekken. Niet dat het direct een moordwapen was maar iets scherps komt altijd van pas.
De koele cola glijdt weldadig door mijn enigszins ruw aanvoelende keel. Ook Moniek drinkt gretig tussen de happen van haar broodje door enkele slokken uit het blikje om haar eten weg te spoelen.
Mijn maag doet raar, ik krijg het zuur maar verwoed slik ik het opkomende maagzuur weg. De korte afleiding van het eten is voorbij en de angst over wat ons te wachten staat slaat in alle hevigheid toe. Ik voel dat ik naar het toilet moet en niet om te plassen ditmaal. Shit, dat kan er nog wel bij. Mijn ogen hebben al eerder de emmer met deksel gespot in de hoek van deze hut of grot of wat het ook is. Maar de drang wordt groter en ik kan het niet uitstellen.
‘Ik heb een probleem, ik moet naar de wc.’
‘No problem schat, het wc is hier vlakbij,’ grinnikt Guido met enig leedvermaak.
‘Geen geintjes, ik zal jullie losmaken van de muur maar je blijft aan je vriendin vastzitten.’
Hij kijkt Moniek aan en zegt dat zij dan ook maar gelijk naar het toilet moet gaan. ‘Twee vliegen in één klap.’

‘Je snapt het misschien niet helemaal, maar ik moet meer dan alleen plassen,’ zeg ik zo ferm mogelijk. ‘Dat kan ik niet op een emmer, en al zeker niet met iemand anders erbij.’
‘Dat zal toch moeten meiske want het Hilton ligt in Antwerpen.’
De handboeien zijn los van de ketting in de muur en met stramme benen zijn Moniek en ik inmiddels gaan staan.
Er zal niets anders opzitten dan op die emmer te gaan. We strompelen naar de hoek en ik vraag of hij dan tenminste om wil draaien.
‘Ga jij maar eerst’ zeg ik tegen Moniek ‘want ik vrees dat ik zal stinken.’ Het is een gênant gebaar om met mijn geboeide hand tegen het kruis van Moniek te komen als zij met beide handen haar broek openmaakt en naar beneden trekt. Gehurkt plast ze in de emmer. Er staat een rol wc papier naast en onze handen werken samen om er een stuk van te scheuren. Ik wend mijn hoofd af wanneer haar hand tussen haar benen verdwijnt om zich schoon te vegen.
O mijn god, wat een vernederende situatie.
Als het mijn beurt is kijkt Moniek de andere kant op, spetterend komt mijn ontlading in de emmer en ik schaam me diep als de bijbehorende geur naar boven stijgt. Ik wil ter plekke doodvallen. ‘Nee dat wil je niet’, spreek ik mezelf vermanend in stilte toe.’
Ik hijs mijn broek weer op en doe snel het deksel op de emmer. Als ik me omdraai treffen onze ogen elkaar en Moniek knijpt de hare even samen dicht met een licht knikkend hoofdgebaar, me woordeloos moed insprekend.

Guide trekt zijn rugzak aan en hangt een aantal touwen kruiselings rond zijn lichaam.
‘Party-time ladies.’