Archives for grotten

Onderaards – deel 24

grotTerwijl Stefan op de kaart kijkt, blijft Wodan woest blaffen. Max haalt een tang uit zijn rugzak en breekt het geroeste kettingslot open. De deur gaat moeizaam open, het hout schuurt over de ongelijke rotsgrond en blijft op een kier hangen. Stefan trekt ook mee en de deur gaat verder open. Wodan schiet naar binnen en snuffelt rond.Het stinkt in de vochtige ruimte, naar schimmel maar ook naar iets zurigs.

 

Er hangen enkele ijzeren ringen in de muur op een meter hoogte maar verder is de ruimte leeg. Of toch niet helemaal. In de hoek staat een emmer. Hij is voor een derde gevuld met troebel water.
‘Wat is dat hier voor ruimte?’ vraagt Pieter aan Steven.
‘Dit was één van de ruimtes waar de paarden vroeger werden gestald. In het begin van de exploitatie van deze grot, was het de bedoeling om hier een uitgang te maken voor een kortere route maar de uitgang is niet geschikt voor grotere groepen mensen. Er is geen ruimte voor toiletten en parkeerplaatsen.’

Niets leek erop te wijzen dat Saskia en Moniek hier geweest waren, er was niks te zien. Toch bleef Wodan blaffen en Pieter pakte de emmer op om er aan te ruiken. Gatver, het rook smerig. Dat was zeker geen water. Het leek meer op urine.
‘Ik wil een onderzoeksteam hier in deze ruimte. Ze moeten kijken over er DNA sporen zijn.’
‘Dan moeten we zo snel mogelijk naar de uitgang van dit gangenstelsel’ zei Steven. ‘Want hierbinnen is geen bereik.’
Max trok Wodan mee terug de gang in. ‘Ga maar naar rechts, het zal nog zo’n kwartier lopen zijn’ instrueerde Steven.
Het was erg nat op de grond, Max speurde de wanden af of er ergens water langs kwam druppelen. Er lagen zelfs enkele plassen. Wodan had moeite om door het water een vers spoor op te pikken.
‘Er is hier maar één weg naar de uitgang, wellicht dat hij buiten weer iets op het spoor zal komen’ zei Steven. Ongeduldig begonnen de mannen steeds sneller te lopen. De tunnel maakte een bocht en opeens straalde er licht naar binnen. De uitgang! Wodan piepte en trok aan de lijn. Er was weer een spoor. Opgelucht stonden te mannen enkele seconden later in de buitenlucht. Ze zaten goed.
Steven deed zijn rugzak af en haalde er een thermoskan uit. ‘Koffie mannen?’
Wodan zocht een bosje op om zijn behoefte te doen en Max had een sigaret opgestoken. Met de peuk tussen zijn lippen haalde hij een waterfles uit zijn rugzak en liet Wodan eruit drinken.
Steven moest lachen: ‘Dat heb ik nou nog nooit niet gezien zeg. Een hond die uit een fles drinkt.’
Pieter genoot van de warme koffie en was opgelucht dat hij de nauwe grot had verlaten. Hij nam de omgeving in zich op. Ze waren omringd door rotsen, er was een met onkruid begroeid pad, van hooguit een meter of drie. Hij liep wat verder van de ingang van grot weg en volgde het hobbelige pad dat tussen de rotsen kronkelde. Het gras was er plat. Alsof er een auto over gereden had.

‘Ik heb bereik, ik ga de basis oproepen.’ Max bracht zijn mond bij de portofoon en gaf enkele korte bevelen om een speciaal onderzoeksteam naar de gevonden ruimte in de grot te sturen en overhandigde toen het apparaat aan Steven zodat deze kon uitleggen waar ze precies moesten zijn.

‘Max, ik denk dat ze met een auto zijn verdergegaan.’ Pieter gebaarde dat Max naar hem moest komen. Hij wees op het platgedrukte gras en onkruid. ‘Kijk, bandensporen. En volgens mij van nog niet zo lang geleden.’ Max knielde neer en bestudeerde de grond. Het was moeilijk te zien, in een zandpad waren bandensporen duidelijker te herkennen maar hij moest zijn chef gelijk geven. Paarden zouden andere sporen hebben achtergelaten. Hij ging Wodan halen die hij bij Steven had achtergelaten. De hond schoof met zijn neus over de grond, liep terug richting de uitgang van de grot en liep weer naar de plaats waar het onkruid was platgedrukt. Hij begon weer te blaffen en piepen. Hij zocht verder maar kwam steeds terug naar de plek waar Pieter stond.

Wat nu? Ze konden overal zijn. Gefrustreerd schopte Pieter tegen een stel brokken steen.

deel 14 – Onderaards

grot

Volgens mij rijden we over een snelweg want het gehobbel over het oneffen terrein heeft plaatsgemaakt voor een soort constant gezoef en ik hoor auto’s die ons inhalen.
We raken alle besef van tijd kwijt terwijl het busje ons steeds verder wegvoert van de anderen.

 

 

‘Wat denk je, zou de rest ons al als vermist hebben opgegeven?’ vraagt Moniek. Haar stem klinkt gedempt door de zak die nog steeds over ons hoofd zit.

‘Ze zullen vast naar ons op zoek zijn maar vermist ben je volgens mij. pas als je 24 uur geen teken van leven hebt gegeven. Maar ik hoop dat ze Thom al gevonden hebben, dan weten ze in ieder geval dat we niet zomaar verdwaald zijn,’ antwoord ik.
Thom, zou hij nog leven? Hij had een lelijke wond in zijn hoofd maar ik weet niet of Moniek dat gezien heeft.
‘Heb jij Thom nog gezien dan?’
‘Hij lag achter jou, had ook een klap op zijn hoofd gehad, maar meer weet ik niet want ik ben daarna zelf buiten bewustzijn geraakt.’
‘Dus je weet niet of?’ De stem van Moniek stokt en ze maakt haar vraag niet af.
‘Of hij daar nog ligt of is weggekomen? Nee, dat weet ik niet.’
‘Denk je dat hij?’ Opnieuw kan Moniek de woorden niet over haar lippen krijgen.
Ik zwijg. Ik wil er niet over nadenken, kan er niet aan denken dat hij misschien wel dood is.

De auto draait een bocht in. We vallen om. Hij stopt en trekt vervolgens weer op. Het lijkt minder snel te gaan dan eerst. Opnieuw wordt er afgeremd. Opnieuw een bocht. Dan hobbelen we over een oneffen weg. Vloekend proberen we ons zittend te houden. De weg is niet al te best.
Mijn hart begint weer als een razende te bonzen. Het gevaar neemt toe. Ik voel het.
Na een tijdje staan we stil. Ik hoor de klik van het portier en geschommel en vervolgens de klap van de dichtslaande autodeur. Dan vliegt onze schuifdeur open. Ik voel iets aan mijn hoofd en dan wordt de kap afgetrokken. Eindelijk, frisse lucht. Ik haal diep adem. Mijn ogen doen zeer door het plotselinge licht al is het gedempt door de bomen.
Moniek is ook van haar kap verlost en onze blikken kruisen elkaar. Angst is ook in haar ogen te lezen of is het de spiegeling van mijn eigen vrees?
‘Kom uitstappen. Het is straks donker en we moeten de eerste uitdaging nog nemen.’ Guido trekt aan mijn arm en Moniek volgt zo snel ze kan want we zitten nog steeds aan elkaar vast. Guido giet benzine uit een jerrycan in de laadruimte van de bus en gooit er dan een lucifer in.
‘Run for life’ roept hij en we zetten het op een lopen. Het geknetter van het vuur overstemd onze gejaagde ademhaling en opeens horen we een harde knal. Ik kijk over mijn schouder en zie het busje volledig in de fik staan. Als daar maar geen bosbrand van komt, schiet het door mijn hoofd. Ik kijk weer voor me want rennen over de ongelijke grond valt niet mee als je aan elkaar vastzit geketend.

Ik hoor Guido achter ons lopen.
‘Go, Go Go.’ Net wanneer ik denk dat mijn longen in brand staan roept hij ‘ho maar.’
We zijn aan het einde van het bos en komen op een open plek. Het is er rotsachtig. Opeens zie ik een hangbrug naar de overkant. We staan bijna bij de rand als Guido zijn rugzak op de grond laat vallen.

Onderaards- deel 11

grot

 

‘Au, mijn hoofd. Waar zijn we? Wat is er gebeurd?’
Ze probeert omhoog te komen maar krijgt al snel in de gaten dat ze vastgebonden is. De paniek slaat toe en ze begint te gillen.

 

 
‘Ssst, Moniek. Stop. Stop met gillen’ probeer ik haar te kalmeren.
Ze stopt met gillen en kijkt me angstig aan.
‘Shit Sas, waar zijn we. Waar is Thom? Waar is die gek van een Guido?’
‘Ik weet het ook niet, maar goed is het niet’.
Mijn mond voelt droog en ik besef dat ik al uren niks meer heb gedronken. Het verlangen naar een glas koud water vult mijn gedachten en overheerst alles. Net als wanneer je een mier ziet lopen en acuut jeuk over je hele lichaam krijgt.
Ik kijk om me heen maar de ruimte is leeg. Omdat mijn handen op mijn rug zijn vastgebonden kan ik niet op mijn horloge kijken, ik heb geen idee hoe laat het is en hoe lang we hier al vastzitten.

‘Zullen we samen proberen om je rechtop te krijgen?” vraag ik aan Moniek. Ze rolt zich op haar linkerzijde en trekt haar bijeengebonden benen op. Ik wurm mijn voeten onder haar schouder en hef haar bovenlichaam op. Mijn buikspieren protesteren maar het lukt. Hijgend kruipt ze op haar knieën en richt zich verder op. Het lukt om te gaan staan.
‘Draai eens met je rug naar me toe, dan probeer ik te kijken hoe laat het is op je horloge.’
‘Doe geen moeite, ik heb geen horloge aan. Ik kijk altijd op mijn telefoon als ik de tijd wil weten. En ik heb mijn telefoon in de hotelkamer gelaten omdat ik wist dat we in de grotten toch geen bereik zouden hebben.’
‘Oké, probeer dan op de mijne te kijken. Ik wil weten hoe lang we hier al zitten.’
Met enige moeite weet ik mezelf ook op beide knieën te krijgen en op te staan. Maar mijn armen zijn zo strak aan elkaar gebonden dat het niet mogelijk is om een blik op mijn horloge te werpen.
Koortsachtig zoeken we iets scherps, iets wat uitsteekt waar we met het touw langs kunnen schuren om los te raken. Niets.

We staan rug aan rug en proberen met onze vingers het touw te ontwarren waarmee onze armen zijn vastgebonden.
De knopen in het touw zijn vakkundig gemaakt, het zou me niets verbazen als Guido bij de Scouting had gezeten toen hij kind was.

Opeens horen we het geluid van een sleutel die in een slot wordt gestopt. We laten ons zo snel mogelijk op de grond. Mijn hart klopt in mijn keel als ik de deur zie openzwaaien en Guido zie binnenkomen. Hij heeft de kap van zijn sweatshirt over zijn hoofd getrokken.

‘Zo dames, weer wakker zie ik? Jullie zullen wel honger en dorst hebben, ik heb er tenminste op gerekend.’
Hij zet zijn zwarte rugzak op de grond en ritst de bovenkant open. Zijn gehandschoende hand duikt de geopende rugzak in en vist er enkele in papier gerolde dingen uit. Er zit een rood-wit geruit servetje om dat met een elastiekje op zijn plaats gehouden wordt. Ik vermoed dat het belegde broodjes zijn. Verder haalt hij enkele flesjes water uit de tas en drie blikjes cola, een tros bananen en een paar appels. Ondanks de spanning lik ik langs mijn lippen want ik verga van de dorst. En afgaande op het gerammeld in mijn maag, heb ik ook honger al ben ik zo verrekte bang en onrustig, dat ik me afvraag of ik kan eten.
Hij ritst het vak dicht en opent een ander vak waar hij, tot mijn ontzetting een mes uitpakt en twee paar handboeien.
Ik kijk naar Moniek die ook angstig toekijkt. We hebben beiden nog geen geluid gemaakt, proberen zelfs niet te bewegen. Alsof hij onze aanwezigheid zou vergeten.

Hij pakt zijn mes en de handboeien en loopt op ons af. We deinzen terug maar doordat we vastgebonden zijn schuiven we niet meer dan enkele centimeters achteruit. Hij snijdt het touw rond onze enkels door.

‘Jullie hoeven niet bang te zijn hoor, ik ga jullie heus niet vermoorden. In ieder geval niet zelf. Of en hoe jullie dit gaan overleven, hangt geheel en al van jullie zelf af.’

‘Ga naast elkaar zitten’, gebiedt hij.
Met veel moeite schuiven we naast elkaar. Hij gaat achter ons staan, knielt neer en klikt een handboei om één van mijn polsen en slaat de andere om de pols van Moniek. Dan snijdt hij in een snelle beweging de touwen rond onze polsen door. We zitten dus met één hand aan elkaar vast waardoor onze buitenste arm vrij komt. De andere handboei gebruikt hij om onze geboeide handen vast te klikken aan een ring in de muur. Hij neemt geen enkel risico nu onze voeten niet meer aan elkaar gebonden zijn.

‘Wat ben je met ons van plan?’ vraagt Moniek met een bibberstem.
‘Survivallen’, zegt hij met een grote grijns. ‘Daar zijn jullie toch voor gekomen, en dat gaan we doen. Maar op mijn manier en niet voor halfzachte toeristjes. Jullie zullen je krachten hard genoeg nodig hebben, dus eerst eens even wat eten. ‘

 

 

 

 

Onderaards – deel 10

grot

wat vooraf ging:

Dag 2, de groep is afgedaald in de grotten en opgesplitst in drie groepen. De groep van Saskia wordt afgesneden van de rest doordat Thom vast komt te zitten.

 

 

 

‘Heb je last van claustrofobie?’ vraagt Moniek.
‘Ja zeg ik’.
‘Waarom heb je dat niet van te voren aangegeven?’
‘Ik wilde geen spelbreker zijn en schaamde me ook’, antwoord ik bibberend.
Nu we stil zitten, dringt de vochtige kilte door tot op het bot.

Moniek zet de lamp op haar hoofd uit.
‘Even batterijen sparen’, zegt ze en ik volg haar voorbeeld.
Thom laat zijn lamp aan staan.
Waar blijft die gids nou, vraag ik me ongeduldig af.
‘Ik moet pissen’ zegt Moniek.
‘Nou, ik heb geen bordje WC gezien’ zegt Thom in een poging grappig te zijn.
Opgelucht zie ik een lichtbundeltje naderen.
‘Zo, ik ben er eindelijk’, zegt Guido. ‘Het duurde even voor ik groep 2 ingehaald had, die gingen blijkbaar voorspoediger dan wij.’
‘Wat nu?’ vraagt Moniek.
‘Stukje terug en dan via een andere gang’, antwoordt Guido.
‘Hoezo, gaan we niet terug naar de uitgang?’ vraag ik met een benauwd stemmetje.
‘We gaan wel naar de uitgang schat, maar niet terug naar de ingang,’ merkt Guido gevat op.
Hij koppelt het oude touw los en maakt ons vast aan een nieuw.
Ditmaal pakt hij mij als eerste, Moniek als tweede en Thom als laatste. Dat vind ik wel een beetje raar want wat als Thom opnieuw vast komt te zitten. Dan kan Guido hem toch niet helpen? Thom is wel de grootste en stevigste van ons clubje.

We gaan een stukje terug en pakken een andere gang. Hier kunnen we redelijk lopen. Een beetje gebogen, dat wel maar we hoeven niet te kruipen. Ik voel me weer wat beter en kan goed volgen.
Na een tijdje gaan we een andere gang in, hier wordt het al weer wat smaller en het plafond is ook lager.
In elkaar gedoken ploeteren we voort.
‘Kunnen we even stoppen?’ roept Moniek achter me.
‘Ik moet werkelijk nodig plassen.’
Guido roept dat ze nog even vol moet houden, we zijn zo in de volgende ruimte.
Even later kunnen we inderdaad even rechtop staan. Guido maakt de zekeringen los en loopt een eindje met Moniek een gang in om daarna terug te komen.
‘Moet jij ook nog?’ vraagt hij mij.
Eigenlijk niet maar wie weet hoe lang het duurt voordat zich opnieuw een gelegenheid voordoet.

Moniek komt terug, duidelijk opgelucht en ik loop dezelfde gang een stukje in. Opnieuw flikkert de lamp op mijn helm en als ik omhoog kom om mijn broek op te trekken valt het licht voorgoed uit. Het is pikkedonker. De paniek slaat direct toe. Moet ik nu naar links of naar rechts. Ik begin te gillen en ben blij als er een lichtbundel op me afkomt.
‘Wat is er? Ratten gezien?’ vraagt Guido lichtelijk spottend.
‘Nee mijn lamp is uitgevallen.’
‘Ach, de dame is bang in het donker,’ zegt hij smalend.
Wat een lul zeg. Zo hoort een gids zich toch niet te gedragen, denk ik verontwaardigd. Mijn angst is direct verdwenen en maakt plaats voor een ongekende woede.
‘Verwacht maar geen fooi op het einde,’ kaats ik terug.
We voegen ons weer bij Thom en Moniek.
Guido maakt opnieuw het touw vast en we vervolgen onze weg.
Het wordt opnieuw nauwer maar we hoeven gelukkig nog steeds niet op onze buik te crawlen.
Ik kijk op mijn horloge en zie dat het al bijna half één is. We moeten nu toch onderhand wel bij de uitgang zijn want het middagprogramma begint straks.
‘Zeg, is het nog ver?’ roept Moniek alsof ze over telepathische gaven beschikt.
‘Hoezo, moet je weer al pipi doen?’ vraagt Guido licht sarcastisch. Wat is dat toch met die gast?
‘Nee maar we zouden er toch ongeveer al moeten zijn hé. Anders zijn we te laat voor de lunch’.

‘Nog eventjes dames’.
We gaan weer een andere gang in. Wat een wirwar van gangen, als je hier zou verdwalen geraak je er nooit niet meer uit. Een nieuwe angstaanval domineert mijn handelen. Een brandend gevoel kruipt van mijn buik naar mijn slokdarm. Mijn oren beginnen opnieuw te suizen en ik word draaierig.
‘Saskia, hallo. Zeg eens iets. Hallo.’
Een hand slaat tegen mijn wang. Even weet ik totaal niet waar ik ben. Dan slaat de paniek weer toe. Ik voel een plens water in mijn gezicht en er wordt een plastic zakje tegen mijn mond geduwd.
Bezorgd kijkt Moniek me aan.
‘We moeten echt zo snel mogelijk naar buiten’ gebiedt ze de gids.
Dan zakt ze over me heen in elkaar. Mijn kreet wordt gesmoord in de mouw van haar vest.
Thom ligt ook al op de grond.

Vol afschuw kijk ik naar Guido die met de steel van een pikhouweel een klap op het achterhoofd van Moniek heeft gegeven. Bij Thom heeft hij waarschijnlijk de andere kant gebruikt want ik zie een donker stroompje naast zijn hoofd op de grond groter worden.
Dan wordt het zwart voor mijn ogen.

Als ik bijkom lig ik op mijn zij met mijn hoofd op een rugzak. Mijn handen zijn achter mijn rug vastgebonden en ook mijn voeten zitten aan elkaar. Naast me ligt Moniek. Haar ogen zijn nog gesloten. Ze ligt ook vastgebonden met een stuk touw. Thom is nergens te bekennen.
Er staat een olielamp op een richel. Zacht gesis van de vlam is hoorbaar. Verder is het ijzingwekkend stil.
Een deel van de muur gaat schuil achter een houten schot. De vloer waar we op liggen is ook van hout. Mijn tong voelt dik en ik kan amper slikken. Waar zijn we in godsnaam? Nog in de grot of ergens anders? Waar is Guido?
‘Moniek. Moniek’.
Geen reactie. Ik worstel me dichterbij en trap met beide voeten tegen haar benen.
‘Moniek’
Ze kreunt en opent haar ogen.

Onderaards – deel 9

grot
Dag 2
Op het programma van dag 2 staat een afdaling in de grotten …..

 

 

 

Na het ontbijt ga ik naar boven om mijn tanden te poetsen en nog een keertje naar het toilet te gaan.
Ik probeer mezelf rustig te krijgen met enkele ademhalingsoefeningen. En spreek mezelf toe dat wanneer het me echt te eng wordt, ik altijd op kan geven.
We stappen de bus in en na een klein kwartiertje zijn we al op de site.
Iedereen verzamelt zich rond de gids en luistert naar de aanwijzingen.
We starten met een tocht door de grotten en een stukje spelonkologie. Na de lunch gaan we abseilen.
De mannen reageren enthousiast. Mijn maag draait om.
We krijgen allemaal een helm met een lamp op. Mijnwerkers zijn er niks bij grap ik bij mezelf.
Verder moet iedereen een riem omdoen met diverse kliksystemen. ‘Dat is voor het deel waar wel slechts op handen en voeten doorheen kunnen kruipen’, legt de gids uit. ‘Dan worden we met een touw aan elkaar verbonden zodat niemand kwijt kan raken’.
Dat stelt me gerust, maar niet heus.

We begeven ons naar de ingang van de lift. We kunnen allemaal tegelijk in de ijzeren kooi. Ik voel me gevangen. Een claustrofobisch gevoel maakt zich van me meester.
De paniek neemt toe tot Kees mijn hand vastpakt.
‘Rustig ademhalen, adem in, adem uit’, bast zijn diepe stem.
Wij staan achterin de lift. ‘Kijk me eens aan?’
Ik kijk in zijn bruine geruststellende ogen.
‘Niet bang zijn, het komt goed. Blijf maar bij mij vandaag.’

Met een ruk komt de lift in beweging. We suizen omlaag, veel sneller dan ik had gedacht.
De gids vertelt dat de lift jarenlang mijnwerkers naar beneden heeft vervoert en dat deze oude grotten vroeger dienst deden als ertsmijn.
Met een ruk en veel gepiep komt de lift tot stilstand.
Een gelige gloed verlicht het gangenstelsel.
Hier is nog elektriciteit en die gedachte stelt met gerust.
We volgen de gids over de smalle paadjes en komen in de eerste zaal.
Hier volgt een uitleg over de verschillende lagen en het proces van uitholling door een waterstroompje.
We vervolgen onze weg en de gangen worden smaller. Steeds vaker moeten we bukken om ergens onderdoor te kunnen. We komen opnieuw in een open ruimte waar iedereen weer rechtop kan staan.
‘Dit is de laatste zaal waar nog elektriciteit aanwezig is’ zegt de gids.
‘We gaan nu verder naar het smalle deel. Nu komt het aan op teambuilding omdat sommige openingen zo smal zijn dat jullie elkaar moeten helpen met aanwijzingen en het aanpakken van elkaars spullen’.
Hij haalt een aantal touwen van zijn veiligheidsriem en maakt de eerste vier collega’s aan elkaar.
‘We maken drie groepen van vijf,’ zegt hij.
Tot mijn grote schrik zit ik niet bij Kees.
‘Ik wil bij Kees’ hoor ik mezelf zeggen.
‘Dat zal niet gaan mevrouw, ik heb een indeling gemaakt naar gewicht en ervaring.’
Mijn collega voegt zich zo bij ons voor groep 3, ikzelf neem groep 1 en Kees zal groep 2 begeleiden aangezien hij als scoutingleider ervaring heeft in spelonkologie.

Mijn groepje is dus groep 3 en bestaat uit Thom, Wouter, Evelien, Moniek en ikzelf.
‘Daar zal je Guido hebben’ zegt de gids en ik zie een snel naderend lampje bewegen.
Als een berggeit komt er een jongen aan. Hij heeft een donkere huid en nog donkerdere ogen. Een onaangename rilling kruipt over mijn rug en laten mijn nekharen overeind gaan staan.
Guido pakt ook een opgerold touw van zijn riem af en maakt de zekeringen vast aan die van ons.
Onze groep vertrekt als laatste. Ik sta gelukkig niet als achterste in het rijtje. Guido voorop, dan volgt Wouter, Evelien, Thom, ikzelf en tot slot Moniek.
We zetten de lampen aan op onze helm en verdwijnen de duisternis in. De schaduwen bewegen langs de muren en geven een spookachtig beeld.
Mijn hart bonkt zo luid dat ik denk dat de hele groep het wel kan horen.
De doorgang wordt steeds nauwer en gehurkt kruipen we achter elkaar aan.
Totdat kruipen niet meer gaat en we op onze buik moeten gaan liggen. Als een slang kronkelen we centimeter voor centimeter vooruit. Zweet druppelt langs mijn slapen. Hoewel de temperatuur koud is, heb ik het warm van de inspanning die geleverd moet worden om vooruit te komen.
Wat ben ik blij met mijn spijkerbroek. Ik moet er niet aan denken dat ik een katoenen broek aan zou hebben, die zou al lang opengescheurd zijn.
Plotseling zitten we vast. Thom kan niet verder. Hij zit klem. Ik krijg het Spaans benauwd en krijg bijna geen lucht.
Ik raak volledig in paniek.
‘Sas, hoor je me? Rustig ademhalen’. Ik voel Moniek aan mijn voeten trekken.
‘Kom schat, rustig ademhalen. We gaan terug naar achteren.’
Ik probeer me een beetje op te richten zodat ik mijn onderarmen kan gebruiken om af te zetten. Stukje voor stukje ga ik achteruit. Moniek spreekt bemoedigende woorden.
Thom komt ook achteruit. Hij is gelukkig losgeraakt.
We komen op een stuk waar we iets meer ruimte hebben. Mijn lamp flikkert en angstig vraag ik me af of de batterij nu al leeg kan zijn.
Thom kijkt ons aan en zegt dan we hier moeten wachten op Guido. Opeens besef ik dat wij maar met zijn drieën zijn. Hoe kan dat nu? We zaten toch allemaal aan elkaar vast?
Thom ziet me kijken naar het afgesneden stuk touw.
‘Ik heb me losgesneden van de rest’ legt hij uit. ‘Moest van Guido omdat ik vast zat. Guido brengt Wouter en Evelien naar de groep van Kees en komt dan terug.’
Ik begin te hyperventileren en Moniek geeft me razendsnel een plastic zakje.
‘Hier Sas, rustig ademhalen. Ja goed zo. Adem in, adem uit. Doe maar met mij mee.’
Haar rustige stem neemt me mee en na enige tijd verdwijnt het suizen uit mijn oren.
Thom biedt me een flesje water aan. Ik mijd zijn blik want voel me nog ongemakkelijk na gisteravond. Ook al was zijn stommiteit toe te schrijven aan zijn beschonken toestand, toch zit het me niet lekker dat hij me gevolgd was en me zo nodig moest betasten.

Daar zitten we dan.

Onderaards – deel 1

grotProloog

Pieter van Torre trekt de overall over zijn dienstkleding en zet de helm met lamp op die hij van het survivalteam van Adventure World krijgt aangereikt. Achter hem staat Max al klaar met zijn speurhond aan de lijn. De hond ruikt aan een spijkerbroek van de verdwenen Saskia en Moniek. Ze worden al vier dagen vermist na een teambuildingsuitje.
Hij knikt kort naar de instructeur en ze lopen naar de ingang van de gang die hen door het grottenstelsel zal leiden. De instructeur is een ervaren speleoloog en werkte op de dag van de verdwijning, sterker nog… hij heeft de groep begeleid op de tocht door de nauwe openingen naar de Romegrot.
De man die bij hen was, Thom, is terecht maar ligt opgenomen op een psychiatrische afdeling van het ziekenhuis totaal in de war. Van de meiden ontbreekt tot nu toe elk spoor.

Dag 1

Zaterdag 15 juni, 05.00 uur.

De wekker staat te piepen, ik mep met mijn hand het irritante geluid uit, sla het dekbed open en sta op. Een druk op de knop laat het rolluik langzaam omhoog kruipen en ik kijk naar buiten. Het ziet er droog uit. Ik loop de badkamer in, draai de douchekraam open en trek mijn nachthemd uit. Het warme water stroomt gewelddadig over mijn haren, gezicht en schouders. Ik ben zenuwachtig, straks word ik opgehaald voor een teambuilding in de Ardennen met mijn nieuwe collega’s van reclamebureau ‘Pepper’ waar ik sinds twee weken werk.Het bedrijf is drie jaar geleden opgezet door twee vrienden. Paul, een jonge knappe, zelfverzekerde dertiger die ondanks zijn jolige voorkomen respect afdwingt bij het personeel. En de rustige Thom, verantwoordelijk voor de financiën.
Met nog twee administratieve medewerkers, een receptioniste, een zestal ontwerpers en een ICT-er en mijn aanstelling als managementassistente is het team weer compleet. Er waren enkele wisselingen geweest en daarom heeft Paul besloten dat het een leuk idee zou zijn om een teambuildingsdagje te organiseren in de Belgische Ardennen om elkaar op een sportieve wijze beter te leren kennen.
Zeer spannend allemaal en ik ben vannacht al een paar keer naar het toilet gemoeten van de zenuwen want ik moet niets hebben van smalle wandelpaden op heuvelachtig terrein en sporten is mijn ding niet. En in donkere vochtige grotten tussen allerlei ongedierte kruipen trekt me al helemaal niet. Wat zou ik mezelf graag ziekmelden, maar dat is natuurlijk ondenkbaar.

De douche heeft me goed gedaan en terwijl ik me afdroog bedenk ik wat ik aan zal trekken. Sportieve kleding stond er op de uitnodiging. Maar ik vertik het om een campingsmoking aan te trekken. Gewoon een stretchspijkerbroek, T-shirt en mijn favoriete sweater van Superdry lijkt me wel geschikt.
Snel smeer ik een paar boterhammen op, zet een mok onder het Nespresso apparaat en giet melk in de opschuimer. Ik moet toch proberen even wat te eten. Na het ontbijt prop ik snel wat schoon ondergoed, een regenjack, badlaken en waterschoenen in de rugzak die ik gisteravond nog even bij mijn broertje ben gaan lenen. Twee flesjes water en een paar evergreens zijn mijn noodrantsoen. In een kleine trolley zitten nog extra kleren, een leuk jurkje en pumps voor het diner, toilettas en nachthemd.
Buiten toetert een auto en ik kijk door het raam. Paul staat beneden in zijn glanzende BMW op me te wachten.

Vlug spuit ik nog wat parfum op, pak mijn sleutelbos en zonnebril en twijfel even of ik mijn mobieltje zal meenemen. De Iphone is gloednieuw en ik heb er lang voor moeten sparen. Ik besluit het ding niet mee te nemen en loop snel met mijn bagage de voordeur uit voor ik me bedenk.
‘Goedemorgen schoonheid, wat ruik je lekker’, begroet Paul me terwijl hij de deur van zijn auto galant voor me openhoudt en mijn spullen aanpakt. Hij heeft gelukkig ook een spijkerbroek aan en een sportieve trui.
‘Ook goedemorgen’ antwoord ik enigszins overdonderd. Zo amicaal, ken hem net.
Er klinkt muziek van de Style Council door de boxen en ik zak heerlijk weg in de luxe lederen stoelen.
‘Zit je goed? Dan vertrekken we.’
‘Ja dank je’ antwoord ik en kijk naar buiten. Paul is gelukkig niet zo’n prater zo vroeg in de ochtend. Handig voegt hij in en geeft een stoot gas. De auto glijdt vooruit en binnen een kwartier rijden we het parkeerterrein op van kantoor.