Archives for Ardennen

Onderaards – deel 27

grot

Ik val, dieper en dieper. Mijn oren suizen en ik ben misselijk. Stemmen in mijn hoofd, gegil. Mijn borst doet zeer, een beklemmend gevoel. Ik krijg geen lucht. Het suizen wordt ondraaglijk.
Mijn mond is droog, mijn hoofd zit vol watten en ik voel me heel raar, in mijn oren een rare ruis en dan herken in het gevoel.

Ik ben flauwgevallen. Opnieuw overvalt me een gevoel van paniek maar dit keer spreek ik mezelf hardop streng toe. “Rustig ademen, adem in, pfff, adem uit. Ik leg mijn handen op mijn buik en probeer zo mijn hoge en snelle ademhaling onder controle te krijgen. Ik realiseer me in alle hevigheid waar ik ben. Opgesloten in een donkere hut, zonder licht of frisse lucht behalve het minime dat door de millimeterspleetjes tussen enkele planken binnenfiltert. Daaraan kan ik zien dat het dag is. Ik heb geen idee hoe lang ik al in deze blokhut ben. Ik weet nog dat ik op bed ben gaan liggen en mezelf in slaap heb gehuild.

Mijn ogen doen zeer, de huid erom heen is schraal van het opgedroogde zout. Mijn lippen zijn gesprongen en ik heb pijn in mijn maag. Ik voel iets tegen mijn been liggen en mijn hand vindt een plastic fles. Water. Ik drink enkele slokken en voel aan het gewicht dat de fles zeker half leeg is. Ik neem nog twee slokjes en draai dan resoluut de dop op de fles en leg hem terug op het bed, tegen de wand. Voorzichtig ga ik staan en schuifel dan met gestrekte armen voor me uit op zoek naar de tafel. Daar moet nog een krentenbol liggen. Ik stoot tegen de stoel en schuif met mijn hand over het ruwe tafelblad. Hebbes. Ondanks dat ik de zak de vorige keer goed had dichtgedaan, is de krentenbol helemaal hard geworden. Ik neem een hap maar mijn droge mond is niet in staat om het hard geworden brooddeeg malser te maken. Zonder een slok water krijg ik dit niet weggeslikt. Opnieuw gaat mijn hart in versnelling als ik bedenk dat dit het laatste eetbare is. Hoe lang zal Guido wegblijven? Zal hij nieuwe voorraad aan het halen zijn? Wat zei hij ook al weer toen hij me hier achterliet? O ja, iets over uithoudingsvermogen maar dan niet fysiek. Denkt hij dat hij me zo gek kan krijgen? Door me in het donker op te sluiten? Tegen beter weten in rammel ik weer aan de deur. Ik bonk en roep maar stop er weer mee. Verspilde energie.

Ik loop heen en weer van de ene wand naar de andere, tel de keren dat ik draai. Na twintig keer stop ik ermee. Vermoeid ga ik op het bed zitten en neem twee slokken water. Ik ga liggen en rol me op. Slapen dood de tijd, slapen dood de tijd, als een mantra herhaal ik het. Starend in het donker zie ik Moniek’s lichaam weer liggen. Zou ze nog leven? Zou ze gevonden zijn? Ik hoop toch zo dat ze gevonden is. Ik moet er niet aan denken dat zij daar nog zo ligt, op de harde grond. Geen eten of drinken en vergaan van de pijn. Dat been lag er zo raar geknakt bij. Dat is een ernstige breuk. Ze zal zich nooit zonder hulp kunnen verplaatsen. Maar misschien zal ze wel nooit meer bewegen.

En onze collega’s? Zijn ze nog in de Ardennen of  is alleen Paul achtergebleven als contactpersoon voor de politie. Hoe groot zou de zoekactie zijn? Ik heb nog geen helikopters horen vliegen. Of zouden we heel ver weg zijn van Grandhan, en is het zoekgebied nog niet zo ver uitgebreid? Ze zullen toch niet aan de 24 uur vasthouden die iemand vermist moet zijn voor ze gaan zoeken?

Mijn kussen wordt nat van de tranen die geluidloos uit mijn ogen stromen. Ik kan ze niet stoppen. Ik steek mijn tong uit om het zout op te vangen. Zout houdt vocht vast zei mijn oma altijd. Ze is al jaren dood maar het is net of ze naast me op het bed zit en tegen me praat. En opeens besef ik dat ik hier wel eens dood kan gaan.

Onderaards – deel 26

 

grot

Guido vloekt in zichzelf. Hier heeft hij niet op gerekend. Dat ze gevonden zou worden door voorbijgangers. De afgelopen maand was er niemand langs deze route gelopen. Tijdens de voorbereidende fase had hij namelijk een verborgen camera geplaatst, die aansprong als er beweging in de buurt was. Het alarm was niet afgegaan, als je die keer dat er een berggeit had rondgelopen, niet meerekende.

 

Hij was er min of meer van uitgegaan dat gedurende het voorseizoen er geen klimmers naar deze site zouden komen. Het was niet echt een uitdagende berg en de meer ervaren klimmers kozen een moeilijker parcours. Deze rotswand was eigenlijk voor de vakantiegangers die thuis een beetje aan klimmen deden op zo’n klimmuur. Het lag te ver weg van Adventure World om mee te nemen in het aanbod en er waren geen andere gidsen die deze berg in hun programma hadden.

Daarom is hij geïrriteerd dat zijn plan nu wordt doorkruist. Hij kijkt nog eens door zijn verrekijker naar de vrouw die bij Moniek op de grond zit. Ze draagt een outdoor jas van de Decathlon, maar heeft wel dure wandelschoenen aan. Haar lange blonde haren hangen in een vlecht op haar rug en hij ziet geen ringen aan haar vingers, waar tevens ieder spoor van nagellak ontbreekt. Geen barbiepop. Aan de manier waarop ze het vuur aanlegt kan hij zien dat ze een buitenmens is, iemand van de natuur. Even voelt hij een lichte huivering. Zo’n vrouw zou wat voor hem zijn. Zou zij degene zijn waar hij al jaren naar op zoek is? Eentje die met hem de wilde natuur in wil trekken, verre reizen wil maken. In de middle of nowhere weken op elkaar aangewezen zijn zonder iemand tegen te komen. Stop, stop met fantaseren idioot. Denk na, hoe ga je dit oplossen? Als dat stomme wijf bijkomt dan vertelt ze alles. Ze mag dit niet overleven. En je moet snel zijn want die vent van Heidi is om hulp.

Guido schuift langzaam terug naar achter. Als hij op veilige afstand is staat hij op en loopt terug naar zijn rugzak. Hij maakt zijn jachtgeweer los die met riempjes zit vastgegespt. Dan rommelt hij in zijn rugzak en pakt extra ammunitie. Vervolgens neemt hij een blikje met schoensmeer uit zijn tas en maakt enkele donkere vegen over zijn gezicht. Hij draagt al een camouflagejasje en met zijn donkere cap op is hij onherkenbaar. Hij kruipt terug naar de afgrond en legt aan. Met zijn ene oog dichtgeknepen kijkt hij geconcentreerd met zijn andere door de zoeker. Zijn vinger losjes om de trekker. Dan haalt hij de trekker over. Een gedempte knal, vogels vliegen verschrikt op maar beneden heeft Heidi het niet gehoord. Ze is te druk met het vuurtje bezig en zit met haar rug naar Moniek. Hij heeft haar geraakt, haar lichaam hangt schever dan eerst. Er vormt zich een rood stroompje bloed. Zijn hart bonkt enorm, adrenaline schiet door zijn lijf, dit is toch wel iets anders dan op een hert of konijn schieten!  Zijn handen beven als hij het geweer doorlaat en weer aanlegt. Ze is niet dood want hij heeft haar hart niet geraakt. Een hert was er al lang vandoor gegaan.  Hij aarzelt even, nog nooit eerder heeft hij een mens vermoord. Voor half dood achtergelaten, dat wel.  In Frankrijk twee jaar terug. En sindsdien was die niet te stillen honger ontstaan. Die was niet meer te stillen met gevaarlijke sporten, met het verleggen van zijn eigen grenzen op survivalgebied. Nee, hij had er anderen bij nodig.

 

Onderaards – deel 25

grot
Terwijl Saskia opgesloten zit in een dichtgetimmerd en donker chalet, en het spoor van rechercheurs Pieter en Max doodloopt, stuiten twee wandelaars op een lichaam….

‘Mevrouw, hoort u mij? Mevrouw.’ Ann schudde voorzichtig aan de schouder van de onbekende vrouw die half tegen een rotsblok aan zat. Haar been lag in een rare hoek en haar gezicht was spierwit. Anne legde twee vingers in haar hals en voelde een zwakke hartslag. ‘Ze leeft nog’ zei ze met enige opluchting maar bezorgd keek ze naar Ludo.  Die was al druk in de weer met zijn telefoon en vloekte toen hij geen bereik bleek te hebben.

‘We moeten hulp halen, de gsm heeft hier geen bereik. Het lijkt me het beste als ik terug loop en jij hier bij haar blijft.’

‘Maar het is al laat in de middag, nog even en de zon gaat onder.’

‘Ik weet het schat maar ik ben sneller dan jij en stel dat ze bij kennis komt, dan zal ze blijer zijn met een vrouw.’

Ann moest ondanks alle ellende wel lachen om zijn redenatie. Ludo was altijd maar liever bezig en moest een doel voor ogen hebben. Hulpeloos zitten wachten naast een bewusteloze vrouw hoorde hier niet bij. Nee, Ludo wilde actie, zo snel mogelijk hulp gaan halen. Hij rommelde nog even in zijn rugzak en gaf Ann een zaklamp en twee flesjes water en een banaan. ‘Ik probeer zo snel mogelijk hulp te halen, misschien heb ik verderop al bereik als ik wat meer op vlak terrein ben. Zal ik nog wat takken sprokkelen zodat je een vuurtje kunt maken?’

‘Nee schiet nu maar op, ik zal zelf zo wel rondkijken.’ Ann stond op en gaf haar man een kus.

Daarna knielde ze snel weer naast de roerloze vrouw en voelde nogmaals in haar hals. Ze schroefde het dopje van het flesje water en liet wat druppels water op de lippen van de vrouw vallen. Er kwam geen reactie. Toch had ze het idee dat de vrouw verplaatst was naar het rotsblok want als ze omhoog keek naar de steile rotswand leek het haar sterk dat de vrouw tegen het rotsblok gevallen was. Dan was ze onherroepelijk dood geweest. Hoe lang zou ze hier al liggen? En waarom was ze alleen? Zou iemand anders al hulp zijn gaan halen en haar zo tegen de rots hebben gelegd? Ann keek om zich heen en ging op zoek naar takken en wat droog gras zodat ze een vuurtje kon aanleggen. Allereerst zou het warmte geven en de rook zou ook misschien de aandacht trekken van andere wandelaars of klimmers in de buurt. Voor het eerst was Ann blij dat ze nog steeds niet gestopt was met roken toen ze haar aansteker bij de takken hield. Ze blies zachtjes maar het stapeltje takken wilde geen vlam vatten. Ze rommelde in haar zakken en vond een bon van de Decathlon. Ze maakte er een prop van, stak deze aan en legde het snel op wat dorre bladeren. Het werkte. Blij als een kind stak ze haar handen uit boven het vuurtje en controleerde daarna opnieuw haar patiënt. Ze begon honger te krijgen en dronk een paar slokken water. Ze wilde nog even wachten met de banaan want volgens haar horloge was Ludo nog maar een half uur weg. Ann besloot om nog wat meer takken te zoeken en liep iets verder weg van het vuurtje. Niets vermoedend van het onheil boven haar hoofd.

Guido lag op zijn buik en keek met een verrekijker over de rand van de rots.

Onderaards – deel 24

grotTerwijl Stefan op de kaart kijkt, blijft Wodan woest blaffen. Max haalt een tang uit zijn rugzak en breekt het geroeste kettingslot open. De deur gaat moeizaam open, het hout schuurt over de ongelijke rotsgrond en blijft op een kier hangen. Stefan trekt ook mee en de deur gaat verder open. Wodan schiet naar binnen en snuffelt rond.Het stinkt in de vochtige ruimte, naar schimmel maar ook naar iets zurigs.

 

Er hangen enkele ijzeren ringen in de muur op een meter hoogte maar verder is de ruimte leeg. Of toch niet helemaal. In de hoek staat een emmer. Hij is voor een derde gevuld met troebel water.
‘Wat is dat hier voor ruimte?’ vraagt Pieter aan Steven.
‘Dit was één van de ruimtes waar de paarden vroeger werden gestald. In het begin van de exploitatie van deze grot, was het de bedoeling om hier een uitgang te maken voor een kortere route maar de uitgang is niet geschikt voor grotere groepen mensen. Er is geen ruimte voor toiletten en parkeerplaatsen.’

Niets leek erop te wijzen dat Saskia en Moniek hier geweest waren, er was niks te zien. Toch bleef Wodan blaffen en Pieter pakte de emmer op om er aan te ruiken. Gatver, het rook smerig. Dat was zeker geen water. Het leek meer op urine.
‘Ik wil een onderzoeksteam hier in deze ruimte. Ze moeten kijken over er DNA sporen zijn.’
‘Dan moeten we zo snel mogelijk naar de uitgang van dit gangenstelsel’ zei Steven. ‘Want hierbinnen is geen bereik.’
Max trok Wodan mee terug de gang in. ‘Ga maar naar rechts, het zal nog zo’n kwartier lopen zijn’ instrueerde Steven.
Het was erg nat op de grond, Max speurde de wanden af of er ergens water langs kwam druppelen. Er lagen zelfs enkele plassen. Wodan had moeite om door het water een vers spoor op te pikken.
‘Er is hier maar één weg naar de uitgang, wellicht dat hij buiten weer iets op het spoor zal komen’ zei Steven. Ongeduldig begonnen de mannen steeds sneller te lopen. De tunnel maakte een bocht en opeens straalde er licht naar binnen. De uitgang! Wodan piepte en trok aan de lijn. Er was weer een spoor. Opgelucht stonden te mannen enkele seconden later in de buitenlucht. Ze zaten goed.
Steven deed zijn rugzak af en haalde er een thermoskan uit. ‘Koffie mannen?’
Wodan zocht een bosje op om zijn behoefte te doen en Max had een sigaret opgestoken. Met de peuk tussen zijn lippen haalde hij een waterfles uit zijn rugzak en liet Wodan eruit drinken.
Steven moest lachen: ‘Dat heb ik nou nog nooit niet gezien zeg. Een hond die uit een fles drinkt.’
Pieter genoot van de warme koffie en was opgelucht dat hij de nauwe grot had verlaten. Hij nam de omgeving in zich op. Ze waren omringd door rotsen, er was een met onkruid begroeid pad, van hooguit een meter of drie. Hij liep wat verder van de ingang van grot weg en volgde het hobbelige pad dat tussen de rotsen kronkelde. Het gras was er plat. Alsof er een auto over gereden had.

‘Ik heb bereik, ik ga de basis oproepen.’ Max bracht zijn mond bij de portofoon en gaf enkele korte bevelen om een speciaal onderzoeksteam naar de gevonden ruimte in de grot te sturen en overhandigde toen het apparaat aan Steven zodat deze kon uitleggen waar ze precies moesten zijn.

‘Max, ik denk dat ze met een auto zijn verdergegaan.’ Pieter gebaarde dat Max naar hem moest komen. Hij wees op het platgedrukte gras en onkruid. ‘Kijk, bandensporen. En volgens mij van nog niet zo lang geleden.’ Max knielde neer en bestudeerde de grond. Het was moeilijk te zien, in een zandpad waren bandensporen duidelijker te herkennen maar hij moest zijn chef gelijk geven. Paarden zouden andere sporen hebben achtergelaten. Hij ging Wodan halen die hij bij Steven had achtergelaten. De hond schoof met zijn neus over de grond, liep terug richting de uitgang van de grot en liep weer naar de plaats waar het onkruid was platgedrukt. Hij begon weer te blaffen en piepen. Hij zocht verder maar kwam steeds terug naar de plek waar Pieter stond.

Wat nu? Ze konden overal zijn. Gefrustreerd schopte Pieter tegen een stel brokken steen.

Onderaards – deel 22

grot

Pieter van Torre trekt de overall over zijn dienstkleding en zet de helm met lamp op die hij van het survivalteam van Adventure World krijgt aangereikt. Achter hem staat Max al klaar met zijn speurhond aan de lijn. De hond ruikt aan een spijkerbroek van de verdwenen Saskia en Moniek. Ze worden al twee dagen vermist na een teambuildingsuitje.

 

 

Hij knikt kort naar de instructeur en ze lopen naar de ingang van de gang die hen door het grottenstelsel zal leiden. De instructeur is een ervaren speleoloog en werkte op de dag van de verdwijning, sterker nog… hij heeft de groep begeleid op de tocht door de nauwe openingen naar de Romegrot. De man die bij hen was, Thom, is terecht maar ligt opgenomen op een psychiatrische afdeling van het ziekenhuis totaal in de war. Van de meiden ontbreekt tot nu toe elk spoor, evenals van de tweede gids Guido.
‘Hoe ervaren is uw collegagids eigenlijk?’ Pieter kijkt Steven vorsend aan.
‘Hij is een all-rounder, kan alles van het programma dat wij hier aanbieden. Was vroeger al actief bij de Giro.’
‘De Giro?’ vraagt Paul. De directeur van reclamebureau ziet er slecht uit. Sinds twee van zijn medewerkers vermist zijn, en zijn compagnon zwaar gewond en getraumatiseerd in het ziekenhuis ligt, heeft hij geen oog meer dichtgedaan. Hij heeft de rest van de medewerkers van “Pepper” terug naar huis gestuurd. Onder groot protest natuurlijk, want iedereen was ongerust en wilde blijven. Maar er liggen nog veel reclameopdrachten te wachten, en het bedrijf kan het zich niet permitteren om klanten te verliezen.
‘Ja de Giro, dat is zoals de Scouting. Maar daarnaast heeft hij een bachelorsdiploma als sportinstructeur. Hij werkt nog niet zo lang bij ons, maar er zijn tot nu toe geen klachten of incidenten gemeld.’ Steven voelt zich verantwoordelijk voor de vermissing aangezien hij teamleider is van alle instructeurs.
‘Heeft u de gevraagde kleding meegebracht meneer Franken?’
‘Ja, hier heb ik truien van Moniek en Saskia.’ Paul geeft een rugzak aan de rechercheur die met plastic handschoenen de kledingstukken eruit haalt en doorgeeft aan zijn collega Max. De Duitse Herder duwt zijn neus in de stof en na een commando van zijn baas loopt hij met zijn neus aan de grond naar de ingang van de grot. Pieter en Max volgen hem onmiddellijk. Paul maakt eveneens aanstalten om de grot in te gaan maar Steven houdt hem tegen.
‘U kunt het beste hier blijven meneer. Ik heb geen tijd om me om u te bekommeren en ik moet er niet aan denken dat u ook nog verdwaalt.’ Hij draait zich resoluut om en rent achter de politieagenten aan.
‘Wilt u mij volgen meneer Franken, dan zal ik binnen een koffie voor u maken.’ De eigenaar van Adventure World heeft zijn hand al om de ellenboog van Paul gesloten en duwt hem zachtjes maar bewust naar de ingang van het in grijze leistenen opgetrokken gebouw.

 

 

Onderaards – deel 21 – dag 3

grot

Plots schijnt er een zwakke lichtstraal de blokhut in.  Het licht is afkomstig van een zaklamp die Guido tussen zijn lippen klemt. De hut is maar schaars ingericht. Er staat een tafel met twee stoelen en in een hoek staat een bed. Guido schijnt met de zaklamp op een anderhalve literfles water en een papieren zak die hij op de tafel heeft gelegd.
‘Dit is je rantsoen. Wees er zuinig op. Want dit onderdeel van de survival heeft niks met fysieke krachten te maken. Nee, dit gaat om uithoudingsvermogen in de meest pure betekenis.’

 

En voordat ik het in de gaten heb, is hij al terug buiten en hoor ik een sleutel omdraaien in het slot. Het is aardedonker en ik draai me om en loop met uitgestrekte armen tot ik tegen hout aanbots. Ik bonk als een bezetene en roep ‘Guido, laat me niet alleen.’ Mijn handen tasten het hout af en ik voel de deurklink. Ik duw hem naar beneden maar zoals ik al had verwacht, is de deur op slot. Ik roep tot ik schor word maar het heeft geen zin.
Ik draai me om en rust met mijn rug tegen de deur en probeer rustig te worden.
‘Denk na, waar staat de tafel?’
Voorzichtig schuifel ik naar rechts, mijn rug nog steeds tegen de houten wand aangedrukt. Ik voel een oneffenheid en keer nogmaals om, mijn handen tasten de wand af en ik voel een kozijn. Een raam! Mijn vingers stoten tegen ijzeren tralies die nog geen halve centimeter van elkaar op het kozijn zijn vastgemaakt. Geen mogelijk dus om het raam te openen. Gefrustreerd trap ik tegen de wand. Ik beweeg me nog een halve meter opzij en bots tegen de stoel aan. Ik trek hem aan de leuning naar achteren en ga zitten. Op de tast vind ik de fles water en de papieren zak. Ik neem enkele slokken water en moet me bedwingen om niet meer te drinken. Hoe lang zal hij wegblijven? In de zak zitten twee plakkerige broodjes, het blijken krentenbollen te zijn. Zo langzaam mogelijk eet ik er eentje op en dan pak ik de zak en de fles en schuifel met één gestrekte arm voor me uit door de ruimte tot ik tegen het bed aanbots. Ik laat me op het bed vallen, totaal uitgeput en rol me op.

Onderaards – deel 20

grotGuido is vlak bij me en kijkt me boos aan. ‘Wat een stomme trut, die vriendin van jou. Net doen alsof ze al vaker geklommen heeft en dan naar beneden donderen.’
‘Is ze echt niet dood?’
‘Nee ze leeft nog maar ik kan geen oponthoud gebruiken en heb echt geen tijd om haar handje vast te gaat zitten houden.’

 

 

‘Maar je kan haar toch niet zomaar laten liggen? Zonder medische verzorging, zonder drinken. Dat is onmenselijk. Ik wil naar haar toe.’
‘Jij hebt niks te willen, als je het wilt overleven moet je voorruit. Komaan, opschieten.’
Als hij de aarzeling op mijn gezicht ziet trekt hij opeens zijn mes en zet het op mijn zekeringstouw.’
‘Wat wordt het? Naar boven of naar beneden. Aan jou de keuze.’

Ik kijk nog eenmaal naar beneden, Moniek ligt er nog precies hetzelfde bij. In mijn ooghoek zie ik Guido’s hand met het mes bewegen en ik verbeten hijs ik me op naar de volgende zekering. Ik ben zo vreselijk boos over deze onmacht dat ik naar boven klim alsof ik nog nooit iets anders in mijn leven heb gedaan. Mijn vingers doen zeer, mijn nagels zijn gescheurd en sommige vingertoppen bloeden. Verbeten klim ik verder. Guido is inmiddels al boven over de rand verdwenen en wanneer ik enkele seconden later ook de rand bereik hijst hij me al aan mijn tuig over de rand.

Hijgend van de inspanning en emoties blijf ik even op mijn rug liggen. Geen wolkje aan de blauwe lucht. Ik sluit even mijn ogen en adem in – en uit. In – en uit. Iedere keer opnieuw zie ik de val van Moniek. Ik kan nog steeds niet snappen dat ze helemaal naar beneden is kunnen vallen. Ze zat toch gezekerd aan het touw? Ik verdenk Guido ervan dat hij met de touwen geknoeid heeft.
Wanneer ik mijn ogen open, zie ik dat Guido de touwen inmiddels heeft ingehaald en alles in zijn rugzak propt.
‘Kom, we gaan verder.’
Moedeloos kom ik overeind. Wat is zijn volgende actie? Hoe gaat hij deze survival strijd verder nu Moniek er niet meer bij is. Ik dacht dat hij een kick kreeg van de onderlinge competitie. Als ik niet zo bezorgd zou zijn om Moniek zou ik verbaasd zijn over het uitzicht hier boven op de rots. Beneden zie ik de rivier kronkelen waar we eergisteren nog gezellig met het hele team van Pepper het kanoën waren. Ik denk aan Paul en de anderen en begin te huilen. Steeds harder, onbedwingbaar.
Voor ik het in de gaten heb voel ik een scherpe brandende pijn aan mijn rechterwang. Hij heeft me geslagen.
‘Stop met janken en loop door.’ Guido trekt aan mijn arm en ik strompel achter hem aan.
We komen aan de rand van een dennenbomengebied en hij gaat een pad in dat schuin naar boven loopt. De bomen laten weinig licht door en een beklemmend gevoel vult mijn gemoed. Zachtjes snuffend loop ik naast hem, hij heeft mijn arm nog steeds vast.
Het wordt steeds donkerder, waarschijnlijk loopt het al tegen het einde van de middag. Ik ben alle besef van tijd kwijt. We lopen al een tijd niet meer op het bospad maar klimmen tussen de bomen en boomstronken door verder naar boven.  Ik ben moe, heb honger en dorst. Naar mijn gevoel hebben we uren gelopen wanneer we bij een blokhut aankomen. Het houten geval ziet er verwaarloosd uit, het dak is bedekt met mos en de dichte luiken zijn bedekt met groenige aanslag.
Guido laat me los en rommelt in zijn tas tot hij er een sleutel uitvist. Hij maakt de deur open en duwt me naar binnen. Het is donker en het ruikt er muf.

Onderaards – deel 18

grot

Geschrokken kijk ik naar de steile rotswand voor me waar de bungelende touwen duidelijk maken wat de bedoeling is.

 

 
Ik voel mijn knieën knikken. Een wee gevoel neemt bezit van mijn maag. Hoe moeten we dit nu weer volbrengen? Ik heb enorme hoogtevrees. Vooral als ik op mijn eigen lichaam moet vertrouwen. Ik durf best op de Eifeltoren te staan of op de Euromast. Maar aan een touw een berg beklimmen? No way!
‘Ik ga niet klimmen’, zeg ik beslist. Ik ben boos omdat ik in deze situatie ben beland en mijn woede neemt de overhand.

‘Als je wilt overleven zal je wel moeten schat. Jullie willen toch zo graag survivallen en aan teambuilding doen? This is the moment.’ Guido geniet zichtbaar van mijn boze houding. Het lijkt hem wel enigszins op te winden. Dat is niet mijn bedoeling, niets mag deze psychopaat in verleiding brengen.
Moniek heeft nog niets gezegd. Haar gezichtsuitdrukking lijkt onbewogen. Ik vraag me af of zij net zo bang is om te klimmen als ik.  Intussen rommelt Guido in zijn rugzak en haalt er twee tuigjes uit die hij aan ons overhandigt:   ‘Aantrekken.’

Tijd rekken, denk ik bij mezelf. ‘Sorry hoor maar ik moet eerst plassen.’
‘Schiet op, en ga maar allebei,’ zegt hij afgemeten en gebaart met zijn hoofd naar een paar bosjes die een eindje verderop rechts tegen de rots staan. We laten de tuigjes op de grond vallen en lopen naar de bosjes. Ik fluister tegen Moniek dat ik hoogtevrees heb en echt niet tegen die berg op kan klimmen.
‘Ik help je wel,’ fluistert ze terug. ‘Ik heb al vaker geklommen, ga wel eens naar de Klimmuur in Rotterdam. Onze plas klatert tegelijkertijd als een waterval op de steentjes. Vroeger kon ik niet op een toilet plassen als er iemand voor de deur stond te wachten. Zo zie je maar hoe snel je je gêne opzij kan zetten, schiet het door mijn hoofd. We lopen terug naar Guido,  stappen in de heupgordel en gespen de sluitingen stevig vast.

Guido pakt een touw en wil het aan mijn gordel vastmaken maar Moniek zegt rustig ‘laat mij maar voorklimmen dan kan Saskia kijken hoe ik het doe en volgen.’
‘Aha, mevrouw hier heeft er verstand van’, zegt Guido en overhandigt het touw aan Moniek. Er zit een ander touw aan vast.
‘Maar we zijn met drieën dus jullie gaan beiden voor en ik zal zekeren,’ antwoord Guido.
Moniek haalt het touw door de lussen en maakt het vast met een ingewikkelde knoop. Je kan zien dat ze weet waar ze mee bezig is. Daarna herhaalt ze dezelfde handelingen bij mij.
‘Je hebt zeker geen speciale klimschoenen voor ons?’ vraagt ze.
‘Nee prinses, het is survival weet je nog? Roeien met de riemen die je hebt’.

In de grotten was ik nog blij met mijn stevige bergschoenen maar nu ik aan de voet van de rots staat verlang ik hevig naar mijn gympen met flexibele zolen. Moniek geeft met een stuk band met twee haken aan en doet voor welke haak ik aan de gordel vast moet pikken en de andere gaat rond het touw. Ze geeft me nog wat haken en legt uit dat ik ze steeds vast moet klikken aan de zekeringen in de muur.
Van dichtbij zie ik dat de muur allerlei uitstulpingen heeft waar ik mijn voeten op kan zetten en Moniek geeft aan dat ik met mijn linkse hand en rechtse voet moet werken en dan weer andersom. ‘Zo klim je in een soort driehoek beweging en ben je beter in balans.’

De zenuwen gieren door mijn lijf maar ik probeer me te concentreren op haar uitleg want daar hangt mijn leven straks van af.
‘En verder niet naar beneden kijken. Onder geen beding. Kijk voor je, omhoog of opzij maar nooit naar beneden. Dan lukt het wel. Kom op, Sas, je kunt het.’

deel 14 – Onderaards

grot

Volgens mij rijden we over een snelweg want het gehobbel over het oneffen terrein heeft plaatsgemaakt voor een soort constant gezoef en ik hoor auto’s die ons inhalen.
We raken alle besef van tijd kwijt terwijl het busje ons steeds verder wegvoert van de anderen.

 

 

‘Wat denk je, zou de rest ons al als vermist hebben opgegeven?’ vraagt Moniek. Haar stem klinkt gedempt door de zak die nog steeds over ons hoofd zit.

‘Ze zullen vast naar ons op zoek zijn maar vermist ben je volgens mij. pas als je 24 uur geen teken van leven hebt gegeven. Maar ik hoop dat ze Thom al gevonden hebben, dan weten ze in ieder geval dat we niet zomaar verdwaald zijn,’ antwoord ik.
Thom, zou hij nog leven? Hij had een lelijke wond in zijn hoofd maar ik weet niet of Moniek dat gezien heeft.
‘Heb jij Thom nog gezien dan?’
‘Hij lag achter jou, had ook een klap op zijn hoofd gehad, maar meer weet ik niet want ik ben daarna zelf buiten bewustzijn geraakt.’
‘Dus je weet niet of?’ De stem van Moniek stokt en ze maakt haar vraag niet af.
‘Of hij daar nog ligt of is weggekomen? Nee, dat weet ik niet.’
‘Denk je dat hij?’ Opnieuw kan Moniek de woorden niet over haar lippen krijgen.
Ik zwijg. Ik wil er niet over nadenken, kan er niet aan denken dat hij misschien wel dood is.

De auto draait een bocht in. We vallen om. Hij stopt en trekt vervolgens weer op. Het lijkt minder snel te gaan dan eerst. Opnieuw wordt er afgeremd. Opnieuw een bocht. Dan hobbelen we over een oneffen weg. Vloekend proberen we ons zittend te houden. De weg is niet al te best.
Mijn hart begint weer als een razende te bonzen. Het gevaar neemt toe. Ik voel het.
Na een tijdje staan we stil. Ik hoor de klik van het portier en geschommel en vervolgens de klap van de dichtslaande autodeur. Dan vliegt onze schuifdeur open. Ik voel iets aan mijn hoofd en dan wordt de kap afgetrokken. Eindelijk, frisse lucht. Ik haal diep adem. Mijn ogen doen zeer door het plotselinge licht al is het gedempt door de bomen.
Moniek is ook van haar kap verlost en onze blikken kruisen elkaar. Angst is ook in haar ogen te lezen of is het de spiegeling van mijn eigen vrees?
‘Kom uitstappen. Het is straks donker en we moeten de eerste uitdaging nog nemen.’ Guido trekt aan mijn arm en Moniek volgt zo snel ze kan want we zitten nog steeds aan elkaar vast. Guido giet benzine uit een jerrycan in de laadruimte van de bus en gooit er dan een lucifer in.
‘Run for life’ roept hij en we zetten het op een lopen. Het geknetter van het vuur overstemd onze gejaagde ademhaling en opeens horen we een harde knal. Ik kijk over mijn schouder en zie het busje volledig in de fik staan. Als daar maar geen bosbrand van komt, schiet het door mijn hoofd. Ik kijk weer voor me want rennen over de ongelijke grond valt niet mee als je aan elkaar vastzit geketend.

Ik hoor Guido achter ons lopen.
‘Go, Go Go.’ Net wanneer ik denk dat mijn longen in brand staan roept hij ‘ho maar.’
We zijn aan het einde van het bos en komen op een open plek. Het is er rotsachtig. Opeens zie ik een hangbrug naar de overkant. We staan bijna bij de rand als Guido zijn rugzak op de grond laat vallen.

Onderaards – deel 8

grotWat vooraf ging:

Thom heeft zich weer bij de groep gevoegd en gelukkig komt de ontspannen sfeer van het begin van de dag weer terug tijdens het overheerlijke diner. Het is tegen elf uur, tijd om naar bed te gaan

‘Verkeerde kamer Thom?’ hoor ik tot mijn opluchting Paul vragen.

De hand laat los en ik krijg ruimte. Vliegensvlug draai ik me om en kijk in de onpeilbare ogen van Paul.
Hij zal toch niet denken…
‘Nou, de dame was haar sleutel kwijt en ik hielp haar even zoeken’ zegt Thom met dubbele tong.
‘Het lukt wel hoor’, hoor ik mezelf piepen terwijl ik me weer omdraai en de sleutel in het slot stop. De deur gaat direct open, ik haast me naar binnen en roep over mijn schouder ‘Welterusten.’

Bevend leun ik tegen de deur aan. Wat zou er gebeurd zijn als Paul er op dat moment niet was aangekomen? En wat deed hij eigenlijk in ons deel van de gang? Zijn kamer zat toch helemaal aan de andere kant. Hoe was Thom zo snel achter me aan kunnen komen? Toen ik van tafel wegging, zat hij nog druk in gesprek.

Ik loop de badkamer in en haal de make-up van mijn gezicht, poets mijn tanden en trek mijn jurk en beha uit. Terug in de slaapkamer doe ik mijn pyjama aan en kruip onder het dekbed. Wat een dag. Ik doe het licht uit, had graag nog wat gelezen maar heb geen zin een gesprek als Moniek straks terugkomt.
Na wat een eeuwigheid lijkt, hoor ik de deur zachtjes opengaan. Een straal licht valt de kamer binnen.
‘Sas, ben je nog wakker?’ fluistert Moniek vragend.
Ik zwijg en blijf stil liggen.
Moniek zegt niets meer en beweegt zo zachtjes mogelijk door de kamer. Ik hoor haar het licht aandoen in de badkamer en het water stromen. Even later voel ik het bed naast me bewegen en na niet al te lange tijd hoor ik haar rustige ademhaling. Ze slaapt. Ik niet, ik lig nog uren wakker.

‘Wake me up, before you go go’. De stem van George Michael schelt door de kamer.
Moniek kreunt en zet het geluid af van haar mobiele telefoon.
Ze draait zich om en we kijken elkaar slaperig aan.
‘Goedemorgen’
‘Jij ook goedemorgen. Heb je lekker geslapen?’
‘Gaat wel, ik heb vannacht nog wel wakker gelegen’ zeg ik.
‘Wat vervelend voor je, toen ik gisterenavond binnenkwam was je anders in diepe slaap’.
‘Ja, ik was zo moe en niet gewend aan drank’.
‘Haha, van één glaasje champagne?’
Ik lach beschaamd. ‘Ja ik ben niks gewend’.
Moniek gooit het dekbed van zich af en komt overeind. Ze zwaait haar benen uit het bed en kreunt.
‘O mijn god. Wat ben ik stijf. Hoe kan dat nu, ik ga iedere week naar de sportschool.’ Mopperend strompelt ze naar de badkamer.
Een blik op mijn horloge laat zien dat het half acht is. Om half negen worden we aan het ontbijt verwacht. Om half tien vertrekt de bus. Om tien uur start het programma bij de grotten. De zenuwen gieren alweer door mijn lijf. Mijn darmen spelen op en de bekende buikkramp beneemt me even de adem. Vervelend toch dat het toilet zich altijd in de badkamer bevind in een hotel. Ik draai op mijn rechterzij en trek mijn knieën op, ondertussen zoveel mogelijk proberend aan iets anders te denken.
Gelukkig is Moniek snel klaar met douchen en als ze de kamer terug inloopt kom ik direct uit bed om de badkamer in te snellen.
Wat een opluchting dat ik naar de wc kan. Er staat een bus met luchtverfrisser op de vensterbank. Kwistig spuit ik erop los.
De douche is wederom heerlijk en even later sta ik opnieuw met mijn badlaken om mijn lijf geknoopt in de slaapkamer.
‘Déjà-vu?’ grap ik naar Moniek.
‘Nog bedankt collega, voor je reddingsactie van gisteren’.
Ze lacht. ‘Ja dat was een bak hé? Het beviel de baas overigens wel hoor wat hij zag. Hij heeft overduidelijk een oogje op je’.
Blozend kijk ik haar aan.
‘Is het zo duidelijk zichtbaar?’
‘Voor mij wel maar de anderen heb ik er nog niet over gehoord hoor’, zegt ze geruststellend.
‘Zo te zien laat het jou niet onberoerd’ plaagt ze.
‘Ik vind hem leuk’, geef ik toe.
‘Alleen maar leuk?’
‘Oké, ook sexy’, beken ik ruiterlijk.
We lachen en rommelen tussen onze outfit.
‘Wat trekken we vandaag aan? Ik twijfel tussen lange en korte broek’, zegt Moniek.
‘We kunnen beter een lange broek aantrekken en een t-shirt met een dikke trui erover. Het kan behoorlijk koud zijn hoor in de grotten.’
‘Daar kan je weleens gelijk in hebben’.

We trekken een spijkerbroek aan en een t-shirt en onze stevige schoenen. Moniek bindt haar krullen bijeen in een staartje en daarna pakken we ons vest en verlaten de kamer.
Beneden staat het ontbijt in buffetvorm opgesteld en we nemen plaats in de lichte serre. Het is echt een leuk hotel.
De geur van verse koffie en broodjes laat me watertanden en ik zie Brian en Evelien al met een bordje lekkernijen terug naar onze tafel lopen. We hoeven dus niet te wachten tot we compleet zijn en ik sta op om naar het buffet te lopen. Er is zoveel keuze.
Met een glas verse jus d’orange en een bordje salami, roerei en twee bruine pistolets loop ik terug naar tafel.
Inmiddels zijn ook Ellen, John, Wouter en Linda aangeschoven.
Iedereen heeft een lange broek aangetrokken zie ik.
Voor de zekerheid neem ik nog een imodium in en eet mijn broodjes op.