Archives for survival

Onderaards – deel 21 – dag 3

grot

Plots schijnt er een zwakke lichtstraal de blokhut in.  Het licht is afkomstig van een zaklamp die Guido tussen zijn lippen klemt. De hut is maar schaars ingericht. Er staat een tafel met twee stoelen en in een hoek staat een bed. Guido schijnt met de zaklamp op een anderhalve literfles water en een papieren zak die hij op de tafel heeft gelegd.
‘Dit is je rantsoen. Wees er zuinig op. Want dit onderdeel van de survival heeft niks met fysieke krachten te maken. Nee, dit gaat om uithoudingsvermogen in de meest pure betekenis.’

 

En voordat ik het in de gaten heb, is hij al terug buiten en hoor ik een sleutel omdraaien in het slot. Het is aardedonker en ik draai me om en loop met uitgestrekte armen tot ik tegen hout aanbots. Ik bonk als een bezetene en roep ‘Guido, laat me niet alleen.’ Mijn handen tasten het hout af en ik voel de deurklink. Ik duw hem naar beneden maar zoals ik al had verwacht, is de deur op slot. Ik roep tot ik schor word maar het heeft geen zin.
Ik draai me om en rust met mijn rug tegen de deur en probeer rustig te worden.
‘Denk na, waar staat de tafel?’
Voorzichtig schuifel ik naar rechts, mijn rug nog steeds tegen de houten wand aangedrukt. Ik voel een oneffenheid en keer nogmaals om, mijn handen tasten de wand af en ik voel een kozijn. Een raam! Mijn vingers stoten tegen ijzeren tralies die nog geen halve centimeter van elkaar op het kozijn zijn vastgemaakt. Geen mogelijk dus om het raam te openen. Gefrustreerd trap ik tegen de wand. Ik beweeg me nog een halve meter opzij en bots tegen de stoel aan. Ik trek hem aan de leuning naar achteren en ga zitten. Op de tast vind ik de fles water en de papieren zak. Ik neem enkele slokken water en moet me bedwingen om niet meer te drinken. Hoe lang zal hij wegblijven? In de zak zitten twee plakkerige broodjes, het blijken krentenbollen te zijn. Zo langzaam mogelijk eet ik er eentje op en dan pak ik de zak en de fles en schuifel met één gestrekte arm voor me uit door de ruimte tot ik tegen het bed aanbots. Ik laat me op het bed vallen, totaal uitgeput en rol me op.

Onderaards – deel 18

grot

Geschrokken kijk ik naar de steile rotswand voor me waar de bungelende touwen duidelijk maken wat de bedoeling is.

 

 
Ik voel mijn knieën knikken. Een wee gevoel neemt bezit van mijn maag. Hoe moeten we dit nu weer volbrengen? Ik heb enorme hoogtevrees. Vooral als ik op mijn eigen lichaam moet vertrouwen. Ik durf best op de Eifeltoren te staan of op de Euromast. Maar aan een touw een berg beklimmen? No way!
‘Ik ga niet klimmen’, zeg ik beslist. Ik ben boos omdat ik in deze situatie ben beland en mijn woede neemt de overhand.

‘Als je wilt overleven zal je wel moeten schat. Jullie willen toch zo graag survivallen en aan teambuilding doen? This is the moment.’ Guido geniet zichtbaar van mijn boze houding. Het lijkt hem wel enigszins op te winden. Dat is niet mijn bedoeling, niets mag deze psychopaat in verleiding brengen.
Moniek heeft nog niets gezegd. Haar gezichtsuitdrukking lijkt onbewogen. Ik vraag me af of zij net zo bang is om te klimmen als ik.  Intussen rommelt Guido in zijn rugzak en haalt er twee tuigjes uit die hij aan ons overhandigt:   ‘Aantrekken.’

Tijd rekken, denk ik bij mezelf. ‘Sorry hoor maar ik moet eerst plassen.’
‘Schiet op, en ga maar allebei,’ zegt hij afgemeten en gebaart met zijn hoofd naar een paar bosjes die een eindje verderop rechts tegen de rots staan. We laten de tuigjes op de grond vallen en lopen naar de bosjes. Ik fluister tegen Moniek dat ik hoogtevrees heb en echt niet tegen die berg op kan klimmen.
‘Ik help je wel,’ fluistert ze terug. ‘Ik heb al vaker geklommen, ga wel eens naar de Klimmuur in Rotterdam. Onze plas klatert tegelijkertijd als een waterval op de steentjes. Vroeger kon ik niet op een toilet plassen als er iemand voor de deur stond te wachten. Zo zie je maar hoe snel je je gêne opzij kan zetten, schiet het door mijn hoofd. We lopen terug naar Guido,  stappen in de heupgordel en gespen de sluitingen stevig vast.

Guido pakt een touw en wil het aan mijn gordel vastmaken maar Moniek zegt rustig ‘laat mij maar voorklimmen dan kan Saskia kijken hoe ik het doe en volgen.’
‘Aha, mevrouw hier heeft er verstand van’, zegt Guido en overhandigt het touw aan Moniek. Er zit een ander touw aan vast.
‘Maar we zijn met drieën dus jullie gaan beiden voor en ik zal zekeren,’ antwoord Guido.
Moniek haalt het touw door de lussen en maakt het vast met een ingewikkelde knoop. Je kan zien dat ze weet waar ze mee bezig is. Daarna herhaalt ze dezelfde handelingen bij mij.
‘Je hebt zeker geen speciale klimschoenen voor ons?’ vraagt ze.
‘Nee prinses, het is survival weet je nog? Roeien met de riemen die je hebt’.

In de grotten was ik nog blij met mijn stevige bergschoenen maar nu ik aan de voet van de rots staat verlang ik hevig naar mijn gympen met flexibele zolen. Moniek geeft met een stuk band met twee haken aan en doet voor welke haak ik aan de gordel vast moet pikken en de andere gaat rond het touw. Ze geeft me nog wat haken en legt uit dat ik ze steeds vast moet klikken aan de zekeringen in de muur.
Van dichtbij zie ik dat de muur allerlei uitstulpingen heeft waar ik mijn voeten op kan zetten en Moniek geeft aan dat ik met mijn linkse hand en rechtse voet moet werken en dan weer andersom. ‘Zo klim je in een soort driehoek beweging en ben je beter in balans.’

De zenuwen gieren door mijn lijf maar ik probeer me te concentreren op haar uitleg want daar hangt mijn leven straks van af.
‘En verder niet naar beneden kijken. Onder geen beding. Kijk voor je, omhoog of opzij maar nooit naar beneden. Dan lukt het wel. Kom op, Sas, je kunt het.’

Onderaards – deel 17

grot

Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt…

 

 

 

 

De volgende ochtend word ik stijf wakker, de harde vloer en het verplicht in één houding moeten liggen is niet bevorderlijk voor mijn rug. Moniek ligt nog te slapen. Guido is nergens te bekennen.
Het is koud in de grot. Er komt licht binnen via een spelonk en ik vang een glimp op van de blauwe lucht ver boven mij. Ik zou willen geloven dat deze blauwe lucht iets goed brengt vandaag,  maar na gisteren durf ik nergens meer op te hopen en mijn angst om wat die gestoorde gek vandaag met ons van plan is, neemt bezit van mijn hele wezen. Ik begin te trillen en mijn hart slaat op hol. Mijn ademhaling gaat gejaagd en ik voel mijn slokdarm branden. Alles gaat draaien en mijn oren suizen. Wanhopig ruk ik aan de ketting. Ik wil weg, vluchten. Ik moet hier weg.

‘Saskia!’
Een klap tegen mijn wang brengt me terug uit de duisternis.
‘Jeetje meid, je laat me schrikken, je lag helemaal raar te doen in die slaapzak’. Moniek zit op haar knieën naast me.
Ik begin te huilen. ‘Ik ben zo bang, zo bang.’
‘Niet aan toegeven. Kom, gisteren was je zo sterk. We helpen elkaar. Samen kunnen we dit aan. Laat me niet in de steek. Ik heb jouw kracht nodig Sas, anders red ik het ook niet.’
Met betraande ogen kijkt Moniek me smekend aan. Ik zie mijn angst in haar irissen weerspiegelen.
‘Ach wat een ontroerend tafereeltje,’ klinkt het opeens achter me.
Guido is terug.
‘Kan je ons losmaken, we moeten plassen.’
Hij haalt de sleutel van zijn riem en maakt onze ketting die aan de muur geketend is, los. Moniek helpt me omhoog en voetje voor voetje schuifelen we naast elkaar met onze vastgebonden enkels een stukje verder de grot in.

Als we terug sukkelen is Guido al weer bezig met het kampvuurtje en in een mum van tijd vult de geur van verse koffie onze neusgaten. Hij duikelt uit de koelbox een paar pakketjes op waar sandwiches in blijken te zitten.
Het zachte witte kadetje plakt als een bal in mijn droge mond. Ik krijg het nauwelijks doorgeslikt. Mijn verstand zegt dat ik moet eten, mijn zenuwen vertellen een ander verhaal en met de grootst mogelijke moeite lukt het om het kleffe broodje naar binnen te werken. De warme koffie brengt me enigszins een beetje tot rust.
‘Genoeg getreuzeld dames. Klaar voor een nieuwe uitdaging?’
Geroutineerd dooft Guido het vuurtje door er zand over de schoppen met zijn  North Face bergschoenen. Hij legt de slaapplekken netjes en het lijkt alsof niemand hier de nacht heeft doorgebracht.

‘Kom schatjes, vandaag het echte werk.’
We strompelen achter hem aan en gelukkig komen onze stramme spieren door de zonnestralen en het hoge wandeltempo van onze “Gids” weer op temperatuur en terug in hun oorspronkelijke soepele vorm.

Onze “toeristische” wandeltocht leidt ons langs smalle paadjes, vlak langs de afgrond. Het kost ons dan ook onze uiterste concentratie om in de pas te lopen, aangezien we nog steeds met een handboei aan elkaar vastzitten en onze voeten maar een meter uit elkaar kunnen door de enkeltouwen. Ondanks mijn enkel-hoge outdoorschoenen en speciale wandelsokken, snijdt het touw in mijn enkels. Het klinkt raar maar het is prettig om lichamelijke pijn te voelen. Het leidt me af van gepieker en houdt me scherp bij elke stap die ik weloverwogen zet.
Links van ons kronkelt een riviertje, er zijn geen kano’s te bekennen dus daar hoeven we geen hulp van te verwachten. Het pad maakt een bocht en de begroeiing neemt toe. Het pad is overwoekert met grasachtige planten en mossen. Je kan zien dat hier niet veel mensen lopen, heel anders dan over de paden waar we eerst liepen. Steeds meer krijg ik het gevoel volledig van de buitenwereld gescheiden te worden. Er volgt een nieuwe bocht en de rivier wordt aan ons zicht onttrokken. Mijn laatste vleugje hoop op redding door toevallige passanten verdwijnt als sneeuw voor de zon.
Net wanneer ik moe begin te worden en wil vragen om een korte stop bots ik abrupt tegen Moniek op.
Guido heeft zijn rugzak op de grond laten zakken en tuurt omhoog. Ik volg zijn blik en mijn hart staat stil. Het is een vrij steile rots waar haken is bevestigd zijn en waar enkele touwen naar beneden hangen, lichtjes bewegend in de flauwe wind.

Onderaards – deel 16

grot
‘Doorzetten Moniek, probeer het opnieuw. Concentreer je. Denk aan je sterke spieren. Jij zit toch op fitness. Gebruik je been en armspieren.’ Ik sta te trillen op mijn benen en machteloos kijk ik naar de strijd van mijn collega die op dat moment al zoveel meer voor me is gaan betekenen.
Het feit dat haar benen aan elkaar vast geketend zitten maak het er niet makkelijker op.

Als haar ene voet bijna in een stuk van de hangbrug kan haken hangt het andere been als een zwaargewicht eraan en is de poging weer mislukt.
‘Het gaat niet’ roept ze.
‘Jawel, je was er bijna. Probeer het nog een keer.’
‘Ja, goed zo. Zie je wel.’ Blij zie ik hoe haar ene hiel in een gat haakt van de hangbrug en ze haar andere been bij kan trekken. Voorzichtig verplaatst ze haar handen en nu hangt ze als een hangmat te bungelen.  Ik laat haar heel even tot rust komen maar ga dan verder met aanwijzingen geven.

‘Probeer je voeten om hoog te krijgen Moniek zodat je je benen om het dikste koord kunt slaan. Dan kan je deze kant op tijgeren.’
‘Even wachten, ik moet even uitrusten. Ben zo moe.’
‘Nee kom op nou. Straks wordt het donker. Schiet op Mo.’
Guido heeft zijn blik van Moniek losgemaakt en kijkt naar mij.
‘Jij kan nog eens iemand aansporen zeg.’ Ik durf te wedden dat die bitch anders de moed had opgegeven en naar beneden was gedonderd’.
Mijn ogen zijn geen moment van het tafereel dat zich aan de hangbrug voltrekt, afgewend terwijl ik hem met opeengeklemde tanden toe sis: ‘jij bent ziek, weet je dat?’

Moniek heeft haar voeten om de touwen heen kunnen slagen en begint langzaam stukje voor stukje onze kant op te schuiven.
‘Ja goed zo, zo gaat het goed. Op je gemakje. Kom maar.’
Na een eeuwigheid is ze bijna bij de kant en ik kan net ver genoeg naar voren stappen om haar beet te pakken.
Trillend en snikkend vallen we in elkaars armen.
‘Hoe ontroerend. Missie geslaagd.’ Klinkt het smalend.
Moniek laat zich huilend op de grond zakken en begint daarna over te geven. Ik wrijf over haar rug.

Guido heeft inmiddels de handboeien alweer tevoorschijn gehaald en maakt ons aan elkaar vast. Daarna snijdt hij het andere touw van de hangbrug door zodat de hele brug aan onze kant loslaat en met een luid zwiepend geluid naar beneden suist en dan tegen de rotswand aan de overkant blijft hangen.

‘Kom genoeg geleuterd. We moeten verder.’
Ik help Moniek overeind komen en steun haar terwijl ze strompelend achter Guido aan begint te lopen. Het is bijna donker als we bij een rotspartij uitkomen. Guido pakt een soort mijnwerkerslamp en bevestigd deze met een band rond zijn hoofd. Hij pakt een stuk touw en bindt dit rond zijn lichaam en vervolgens rond het mijne.

‘Goed achter mij aan blijven lopen,’ gebiedt hij. We lopen de ingang van de rots in en na een halfuurtje komen we in een open ruimte. Met verbazing zie ik dat het een soort kampeerplaats is. Er ligt een kampvuur klaar van gestapeld hout en een aantal provisorische slaapplaatsen. En er staat een koelbox. Mijn hersenen draaien overuren. Ofwel onze gids heeft alles goed voorbereid, of hij heeft hulp van iemand anders.

Guido gooit zijn rugzak op de grond en maakt het touw waarmee ik aan hem vastzat los. Onze handboeien blijven aan, evenals de touwen rond onze enkels.
‘Ga maar zitten.’
We laten ons op één van de slaapplekken zakken en zitten met de ruggen tegen elkaar aan om wat steun te vinden.

‘Jullie hebben goed werk verricht dames. Daarom hebben jullie wel een warme maaltijd en wat rust verdient. Tenslotte moeten jullie in tiptop conditie zijn voor morgen. Er staat jullie een mooie uitdaging te wachten. Vandaag was slechts een voorproefje van onze survival of the fittest.’

Hij steekt het vuur aan en pakt twee wegwerp barbecues vanachter de koelbox vandaan.  Vakkundig trekt hij de verpakking eraf en maakt de kooltjes aan. Het deksel gaat van de koelbox en enkele vleespakketten komen tevoorschijn. De worstje en spiesen gaan op de barbecue en een heerlijke geur verspreidt zich in de grot. Het kampvuurtje knettert en geeft een behaaglijke warmte. Als we niet gevangen waren zou het haast gezellig kunnen zijn. De warme maakt me loom en de gebeurtenissen van de dag eisen hun tol. Mijn ogen vallen dicht.

‘Wakker worden.’ Een harde schop tegen mijn benen brengt me met een schok terug in de harde werkelijkheid. Even vraag ik me af waar we zijn maar dan komt het besef als een mokerslag binnen. Moniek was ook in slaap gevallen en ik voel haar verstijven als ook haar droom weer plaatsmaakt voor de nachtmerrie waarin wij ons bevinden.

We krijgen een plastic bord voor ons gezet met diverse stukken vlees en een stuk brood. En een geopend blikje cola.
Met onze vrije hand stoppen we gulzig als een stel uitgehongerde honden een stuk brood in onze mond. Het vlees is nog te warm en moet even afkoelen. Ondanks alle ellende smaakt deze maaltijd goed en eten we allebei ons bordje leeg.
Na het eten moeten we ons klaarmaken voor de nacht want Guido wil vroeg vertrekken.|
Hij laat ons een eindje verderop plassen. Het doet me al niks meer dat hij vlak bij ons staat. De schaamte voorbij. Overleven is onze drijfveer.

Guido maakt onze gezamenlijke handboei los en ketent ieder van ons weer met een ketting in een ring aan de rotswand, lang genoeg om toch in de slaapzak te kunnen kruipen.

Het duurt niet lang voor ik wegglijd in een rusteloze slaap

Onderaards – deel 15

grot

Hijgend staan we te wachten wat Guido met ons van plan is. De zon is al aan het ondergaan. Is dit werkelijk nog maar de eerste dag van ons gevangenschap?Guido bukt en pakt een touw uit zijn rugzak. Er hangen lederen riemen aan. Wat is dat voor een ding?

 

 

 

Al snel wordt duidelijk waar het voor dient. Hij knielt naast mijn voeten en maakt een riempje vast rond mijn ene enkel en het andere rond mijn andere. De twee riempjes zijn verbonden met een stuk touw van zo’n halve meter. Je kan er dus mee lopen maar niet mee rennen. Moniek krijgt eenzelfde geval aan haar enkels.

Dan maakt hij onze handboeien los.
‘Zo dames, jullie snappen vast de bedoeling. We gaan over de touwladder naar de overkant. Probeer maar niet te ontsnappen want ver zal je niet komen. Eén van jullie twee mag alvast met mij mee. De andere komt als wij aan de overkant zijn. We gaan tossen wie met mij mee mag.”
Hij graait in zijn broekzak en pakt er een euro uit. ‘Kop of munt?’ Hij kijkt me vragend aan.
‘Kop.’
Hij gooit het muntstuk in de lucht en laat het op de grond vallen. ‘Jij hebt geluk dame, je mag met mij de oversteek maken. Al ligt jouw lot in handen van je vriendin.’
Hij haalt een mes uit zijn broekriem en voor ik het weet heeft hij me beet met het mes tegen mijn keel. ‘Als jij het in je koppie haalt om te vluchten terwijl wij de brug overgaan, snijdt ik haar keel open.’
Moniek kijkt ons angstig aan. ‘Ik zal niks doen, ik beloof het.’
‘Dat is dan duidelijk.’ Hij laat me los, steekt zijn mes terug en pakt zijn rugzak op.
‘Let’s go.’
Ik moet voor hem lopen en zet mijn eerste stap op het touw. Mijn beide handen grijpen stevig de touwen aan weerszijden vast en ik kijk naar beneden om te zien waar ik mijn voeten het beste kan plaatsen. Er zijn geen plankjes, de touwladder bestaat alleen maar uit dik geknoopte kabel.
Voetje voor voetje ga ik voorruit. Hoe verder ik van de kant kom, hoe dieper het ravijn onder me zichtbaar wordt. Ik stop en verstijf. Durf geen stap meer te verzetten. Dan voel ik gewiebel en slaak een gil.
‘Gewoon vooruit kijken en doorlopen, er kan niks gebeuren,’ hoor ik achter me.
Het lijkt een eeuwigheid te duren maar dan heb ik toch eindelijk de overkant bereikt.
Guido pakt een nieuw touw en maakt me vast aan één van de palen waar de hangbrug aan is bevestigd.
Hij roept naar Moniek dat zij moet komen.
Als ze halverwege de hangbrug is haalt Guido opeens zijn mes tevoorschijn en snijdt een kabel door. Er klinkt een harde knal als een andere kabel eveneens knapt en de hangbrug voor een deel losschiet. Moniek gilt en hangt met twee handen te bungelen.
Ik gil ook en krijg een klap tegen mijn gezicht. ‘Stop met gillen, zeg liever wat ze moet doen, dit is teambuilding pur sang. Daar kwamen jullie toch voor?’

‘Moniek, luister naar me. Niet naar beneden kijken. Moniek?’ Ik roep zo hard als ik kan.
‘Trek je benen op en probeer ze rond het touw te slaan.’
‘Help, help me dan toch,’ roept ze bang.
‘Je wou toch survivallen?’ roept Guido lachend.
Moniek hangt nog steeds hulpeloos aan de brug.
Ik weet dat hou langer ze blijft hangen, hoe moeilijker het wordt om haar lijf omhoog te trekken. Nog een en dan zullen haar handen loslaten.
‘Kom op Moniek, trek je benen op. Je kunt het. Sla ze rond het touw en tijger naar hier. Ik weet dat je dat kan. Laat me hier niet alleen achter met die gek. Kom, doe je best.’
Moniek begint te schommelen net wanneer ze bijna haar ene been rond het touw kan slaan schiet haar rechterhand los. Ze valt een stukje naar beneden maar kan gelukkig nog net een ander stuk touw vastgrijpen. Eigenlijk is dit beter, deze kabel is dunner en hier kan ze haar hand doorsteken en een draai maken zodat het touw rond haar polsen zit. Deze verstevigde grip geeft meer vertrouwen en ik begin haar opnieuw aan te moedigen.
Naast me hoor ik Guido een raar geluid maken. Ik kijk en zie tot mijn ontzetting dat deze strijd van Moniek hem op een of andere zieke manier opwindt.
Op dat moment dringt tot me door dat we met een psychopaat te maken hebben.

Onderaards- deel 11

grot

 

‘Au, mijn hoofd. Waar zijn we? Wat is er gebeurd?’
Ze probeert omhoog te komen maar krijgt al snel in de gaten dat ze vastgebonden is. De paniek slaat toe en ze begint te gillen.

 

 
‘Ssst, Moniek. Stop. Stop met gillen’ probeer ik haar te kalmeren.
Ze stopt met gillen en kijkt me angstig aan.
‘Shit Sas, waar zijn we. Waar is Thom? Waar is die gek van een Guido?’
‘Ik weet het ook niet, maar goed is het niet’.
Mijn mond voelt droog en ik besef dat ik al uren niks meer heb gedronken. Het verlangen naar een glas koud water vult mijn gedachten en overheerst alles. Net als wanneer je een mier ziet lopen en acuut jeuk over je hele lichaam krijgt.
Ik kijk om me heen maar de ruimte is leeg. Omdat mijn handen op mijn rug zijn vastgebonden kan ik niet op mijn horloge kijken, ik heb geen idee hoe laat het is en hoe lang we hier al vastzitten.

‘Zullen we samen proberen om je rechtop te krijgen?” vraag ik aan Moniek. Ze rolt zich op haar linkerzijde en trekt haar bijeengebonden benen op. Ik wurm mijn voeten onder haar schouder en hef haar bovenlichaam op. Mijn buikspieren protesteren maar het lukt. Hijgend kruipt ze op haar knieën en richt zich verder op. Het lukt om te gaan staan.
‘Draai eens met je rug naar me toe, dan probeer ik te kijken hoe laat het is op je horloge.’
‘Doe geen moeite, ik heb geen horloge aan. Ik kijk altijd op mijn telefoon als ik de tijd wil weten. En ik heb mijn telefoon in de hotelkamer gelaten omdat ik wist dat we in de grotten toch geen bereik zouden hebben.’
‘Oké, probeer dan op de mijne te kijken. Ik wil weten hoe lang we hier al zitten.’
Met enige moeite weet ik mezelf ook op beide knieën te krijgen en op te staan. Maar mijn armen zijn zo strak aan elkaar gebonden dat het niet mogelijk is om een blik op mijn horloge te werpen.
Koortsachtig zoeken we iets scherps, iets wat uitsteekt waar we met het touw langs kunnen schuren om los te raken. Niets.

We staan rug aan rug en proberen met onze vingers het touw te ontwarren waarmee onze armen zijn vastgebonden.
De knopen in het touw zijn vakkundig gemaakt, het zou me niets verbazen als Guido bij de Scouting had gezeten toen hij kind was.

Opeens horen we het geluid van een sleutel die in een slot wordt gestopt. We laten ons zo snel mogelijk op de grond. Mijn hart klopt in mijn keel als ik de deur zie openzwaaien en Guido zie binnenkomen. Hij heeft de kap van zijn sweatshirt over zijn hoofd getrokken.

‘Zo dames, weer wakker zie ik? Jullie zullen wel honger en dorst hebben, ik heb er tenminste op gerekend.’
Hij zet zijn zwarte rugzak op de grond en ritst de bovenkant open. Zijn gehandschoende hand duikt de geopende rugzak in en vist er enkele in papier gerolde dingen uit. Er zit een rood-wit geruit servetje om dat met een elastiekje op zijn plaats gehouden wordt. Ik vermoed dat het belegde broodjes zijn. Verder haalt hij enkele flesjes water uit de tas en drie blikjes cola, een tros bananen en een paar appels. Ondanks de spanning lik ik langs mijn lippen want ik verga van de dorst. En afgaande op het gerammeld in mijn maag, heb ik ook honger al ben ik zo verrekte bang en onrustig, dat ik me afvraag of ik kan eten.
Hij ritst het vak dicht en opent een ander vak waar hij, tot mijn ontzetting een mes uitpakt en twee paar handboeien.
Ik kijk naar Moniek die ook angstig toekijkt. We hebben beiden nog geen geluid gemaakt, proberen zelfs niet te bewegen. Alsof hij onze aanwezigheid zou vergeten.

Hij pakt zijn mes en de handboeien en loopt op ons af. We deinzen terug maar doordat we vastgebonden zijn schuiven we niet meer dan enkele centimeters achteruit. Hij snijdt het touw rond onze enkels door.

‘Jullie hoeven niet bang te zijn hoor, ik ga jullie heus niet vermoorden. In ieder geval niet zelf. Of en hoe jullie dit gaan overleven, hangt geheel en al van jullie zelf af.’

‘Ga naast elkaar zitten’, gebiedt hij.
Met veel moeite schuiven we naast elkaar. Hij gaat achter ons staan, knielt neer en klikt een handboei om één van mijn polsen en slaat de andere om de pols van Moniek. Dan snijdt hij in een snelle beweging de touwen rond onze polsen door. We zitten dus met één hand aan elkaar vast waardoor onze buitenste arm vrij komt. De andere handboei gebruikt hij om onze geboeide handen vast te klikken aan een ring in de muur. Hij neemt geen enkel risico nu onze voeten niet meer aan elkaar gebonden zijn.

‘Wat ben je met ons van plan?’ vraagt Moniek met een bibberstem.
‘Survivallen’, zegt hij met een grote grijns. ‘Daar zijn jullie toch voor gekomen, en dat gaan we doen. Maar op mijn manier en niet voor halfzachte toeristjes. Jullie zullen je krachten hard genoeg nodig hebben, dus eerst eens even wat eten. ‘

 

 

 

 

Onderaards – deel 1

grotProloog

Pieter van Torre trekt de overall over zijn dienstkleding en zet de helm met lamp op die hij van het survivalteam van Adventure World krijgt aangereikt. Achter hem staat Max al klaar met zijn speurhond aan de lijn. De hond ruikt aan een spijkerbroek van de verdwenen Saskia en Moniek. Ze worden al vier dagen vermist na een teambuildingsuitje.
Hij knikt kort naar de instructeur en ze lopen naar de ingang van de gang die hen door het grottenstelsel zal leiden. De instructeur is een ervaren speleoloog en werkte op de dag van de verdwijning, sterker nog… hij heeft de groep begeleid op de tocht door de nauwe openingen naar de Romegrot.
De man die bij hen was, Thom, is terecht maar ligt opgenomen op een psychiatrische afdeling van het ziekenhuis totaal in de war. Van de meiden ontbreekt tot nu toe elk spoor.

Dag 1

Zaterdag 15 juni, 05.00 uur.

De wekker staat te piepen, ik mep met mijn hand het irritante geluid uit, sla het dekbed open en sta op. Een druk op de knop laat het rolluik langzaam omhoog kruipen en ik kijk naar buiten. Het ziet er droog uit. Ik loop de badkamer in, draai de douchekraam open en trek mijn nachthemd uit. Het warme water stroomt gewelddadig over mijn haren, gezicht en schouders. Ik ben zenuwachtig, straks word ik opgehaald voor een teambuilding in de Ardennen met mijn nieuwe collega’s van reclamebureau ‘Pepper’ waar ik sinds twee weken werk.Het bedrijf is drie jaar geleden opgezet door twee vrienden. Paul, een jonge knappe, zelfverzekerde dertiger die ondanks zijn jolige voorkomen respect afdwingt bij het personeel. En de rustige Thom, verantwoordelijk voor de financiën.
Met nog twee administratieve medewerkers, een receptioniste, een zestal ontwerpers en een ICT-er en mijn aanstelling als managementassistente is het team weer compleet. Er waren enkele wisselingen geweest en daarom heeft Paul besloten dat het een leuk idee zou zijn om een teambuildingsdagje te organiseren in de Belgische Ardennen om elkaar op een sportieve wijze beter te leren kennen.
Zeer spannend allemaal en ik ben vannacht al een paar keer naar het toilet gemoeten van de zenuwen want ik moet niets hebben van smalle wandelpaden op heuvelachtig terrein en sporten is mijn ding niet. En in donkere vochtige grotten tussen allerlei ongedierte kruipen trekt me al helemaal niet. Wat zou ik mezelf graag ziekmelden, maar dat is natuurlijk ondenkbaar.

De douche heeft me goed gedaan en terwijl ik me afdroog bedenk ik wat ik aan zal trekken. Sportieve kleding stond er op de uitnodiging. Maar ik vertik het om een campingsmoking aan te trekken. Gewoon een stretchspijkerbroek, T-shirt en mijn favoriete sweater van Superdry lijkt me wel geschikt.
Snel smeer ik een paar boterhammen op, zet een mok onder het Nespresso apparaat en giet melk in de opschuimer. Ik moet toch proberen even wat te eten. Na het ontbijt prop ik snel wat schoon ondergoed, een regenjack, badlaken en waterschoenen in de rugzak die ik gisteravond nog even bij mijn broertje ben gaan lenen. Twee flesjes water en een paar evergreens zijn mijn noodrantsoen. In een kleine trolley zitten nog extra kleren, een leuk jurkje en pumps voor het diner, toilettas en nachthemd.
Buiten toetert een auto en ik kijk door het raam. Paul staat beneden in zijn glanzende BMW op me te wachten.

Vlug spuit ik nog wat parfum op, pak mijn sleutelbos en zonnebril en twijfel even of ik mijn mobieltje zal meenemen. De Iphone is gloednieuw en ik heb er lang voor moeten sparen. Ik besluit het ding niet mee te nemen en loop snel met mijn bagage de voordeur uit voor ik me bedenk.
‘Goedemorgen schoonheid, wat ruik je lekker’, begroet Paul me terwijl hij de deur van zijn auto galant voor me openhoudt en mijn spullen aanpakt. Hij heeft gelukkig ook een spijkerbroek aan en een sportieve trui.
‘Ook goedemorgen’ antwoord ik enigszins overdonderd. Zo amicaal, ken hem net.
Er klinkt muziek van de Style Council door de boxen en ik zak heerlijk weg in de luxe lederen stoelen.
‘Zit je goed? Dan vertrekken we.’
‘Ja dank je’ antwoord ik en kijk naar buiten. Paul is gelukkig niet zo’n prater zo vroeg in de ochtend. Handig voegt hij in en geeft een stoot gas. De auto glijdt vooruit en binnen een kwartier rijden we het parkeerterrein op van kantoor.