Archives for EJansen

Onderaards – deel 13

grot
Guido klinkt onze handboeien weer vast aan de ring in de muur. Vervolgens haalt hij uit zijn achterzak enkele tyraps.
‘Handen op de rug’ gebiedt hij. Vakkundig maakt hij mijn vrije hand vast aan de geboeide hand en doet hetzelfde bij Moniek. Daarna trekt hij een zwarte stoffen zak over ons hoofd.

 

 

Paniekerig schud ik met mijn hoofd maar hij heeft het koord wat eraan zit aan licht aangetrokken zodat de zak met geen mogelijkheid van mijn hoofd gaat. Mijn ademhaling gaat gejaagd en ik verman mezelf tot kalmte. Hyperventilatie is het laatste waar ik op zit te wachten. Ik moet mijn hoofd koel houden.
Hij maakt de boeien los van de ring in de muur en trekt ons mee.
Ik hoor de deur open gaan en even later voel ik een tochtvlaag langs me heen strijken. We staan ofwel buiten, of in een gang. Het is donker dus ik heb geen idee.
Het is verrassend hoe snel je andere zintuigen zich aanpassen als je niets kan zien. Zo constateer ik dat de lucht die ik inadem muf ruikt. Naar alle waarschijnlijkheid bevinden we ons dus nog in de grot of tenminste toch onderaards.

‘Waar breng je ons naartoe’ hoor ik Moniek gesmoord vragen.
‘Dat merken jullie vanzelf. Geen vragen meer stellen en doorlopen.’
De grond onder mijn voeten is ongelijk en het kost me moeite om niet te struikelen.
Wat is die gek met ons van plan?
‘Bukken’ zegt Guido. Terwijl ik naar voren buig, verlies ik mijn evenwicht en val voorover op mijn knieën. Moniek tuimelt over me heen en stoot zo te horen haar hoofd. ‘Au mijn kop.’
‘Vooruit dames, opstaan en doorlopen.’
Het plastic van de tyrap snijdt in mijn pols als we ons onhandig omhoog wurmen.
Ik voel een hand mijn hoofd omlaag duwen. ‘Bukken en zorg dat je weer niet valt.’

Hoe lang we zo verder strompelen weet ik niet. Ik ben alle besef van tijd kwijt maar opeens voel ik dat het warmer wordt en is de ondergrond onder mijn voeten anders.
Ik denk dat we buiten zijn. Het zwarte fluweel van de kap over mijn hoofd laat niets, maar dan ook helemaal niets van licht door.
‘Stop.’
We staan stil en ik hoor een klik, waarschijnlijk van een autoslot.
Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik het geluid van schuifdeur van een busje hoor opengaan.
‘Voeten optillen en in de camionette stappen’ zegt Guido.
Moniek klimt er eerst in en ik volg direct, Guido houdt mijn arm vast zodat ik mijn evenwicht kan bewaren. De ribbels op de vloer verraden dat we in een bestelwagen zitten en niet in een personenbusje, er zijn dus geen bankjes of autostoelen.
‘Geen luxe touringcar Ladies, excuses van de reisorganisatie. Ga maar op uw gat zitten.’ En een seconde later gaat de schuifdeur al dicht. Nog voor we de vraag kunnen stellen of die vreselijk kap af mag.
‘Godver, ik wil die verdomde kap af” zeg ik gefrustreerd.
‘Anders ik wel.’ Moniek schuurt met haar hoofd tegen mijn schouder maar tevergeefs. Het lukt niet omdat het koord te strak is aangetrokken.
We voelen het busje schommelen als Guido achter het stuur kruipt en de deur dichtslaat. Een fractie later wordt de motor gestart en hobbelen we over een oneffen pad of wat het ook is, waardoor we steeds hardhandig tegen de ijzeren carrosserie aanbotsen.
‘Wat is die gek met ons van plan?’
‘Als hij ons had willen verkrachten dan had hij dat in die grot of wat het ook was, gedaan.’
Ik voel het zuur weer omhoogkomen, achteruitrijden is nooit goed geweest voor mijn wagenziekte.

Onderaards – deel 12

grot

 

Guido, onze gids en kidnapper, is zojuist onze grot of waar we ook gevangen zitten, binnengekomen.
Hij heeft eten en drinken gehaald.

 

 

Hij houdt de verpakte pakketjes voor ons neus: ‘smoske hesp of kaas?’

Aangezien ik geen kaas lust, kies ik voor de hesp. Het zal wel ham zijn, vermoed ik zo.
Guido gooit het broodje in mijn schoot. Met mijn vrije hand friemel ik het elastiekje eraf.
Het halve stokbroodje is rijkelijk belegd met sla, ham, tomaten en de rest kan ik niet zien want ik durf het niet open te duwen omdat het met één hand toch al lastig genoeg is om zo’n broodje te eten.
Ik neem een hap. In andere omstandigheden zou ik zeggen dat het heerlijk was maar op die koude stenen vloer, half vastgeketend kan ik niet genieten van dit broodje. Ik kijk opzij naar Moniek. Haar broodje ligt nog in het papier gerold op haar schoot. Ze zit wezenloos voor zich uit te staren.
‘Moniek’. Zachtjes fluisterend stoot ik haar aan. ‘Je moet eten, je hebt je krachten nodig’.
‘Ja Moniek’, zegt Guido smalend. ‘Luistert naar uwen vriendin, ik zou maar rap gaan eten want ik heb grootste plannen met jullie’.

Onhandig wriemelt Moniek met haar linker hand het papier los. Ze zet haar tanden in het broodje en haar kaken blijven malen. Moeizaam slikt ze haar eerste hap door.
‘Mogen we wat drinken?’ vraag ik met zo’n vriendelijk mogelijke stem.
Guido staat op van zijn kruk en opent een voor een de colablikjes. Hij zet ze naast ons neer. Hij is zo slim om het scherpe lipje er geheel af te trekken. Niet dat het direct een moordwapen was maar iets scherps komt altijd van pas.
De koele cola glijdt weldadig door mijn enigszins ruw aanvoelende keel. Ook Moniek drinkt gretig tussen de happen van haar broodje door enkele slokken uit het blikje om haar eten weg te spoelen.
Mijn maag doet raar, ik krijg het zuur maar verwoed slik ik het opkomende maagzuur weg. De korte afleiding van het eten is voorbij en de angst over wat ons te wachten staat slaat in alle hevigheid toe. Ik voel dat ik naar het toilet moet en niet om te plassen ditmaal. Shit, dat kan er nog wel bij. Mijn ogen hebben al eerder de emmer met deksel gespot in de hoek van deze hut of grot of wat het ook is. Maar de drang wordt groter en ik kan het niet uitstellen.
‘Ik heb een probleem, ik moet naar de wc.’
‘No problem schat, het wc is hier vlakbij,’ grinnikt Guido met enig leedvermaak.
‘Geen geintjes, ik zal jullie losmaken van de muur maar je blijft aan je vriendin vastzitten.’
Hij kijkt Moniek aan en zegt dat zij dan ook maar gelijk naar het toilet moet gaan. ‘Twee vliegen in één klap.’

‘Je snapt het misschien niet helemaal, maar ik moet meer dan alleen plassen,’ zeg ik zo ferm mogelijk. ‘Dat kan ik niet op een emmer, en al zeker niet met iemand anders erbij.’
‘Dat zal toch moeten meiske want het Hilton ligt in Antwerpen.’
De handboeien zijn los van de ketting in de muur en met stramme benen zijn Moniek en ik inmiddels gaan staan.
Er zal niets anders opzitten dan op die emmer te gaan. We strompelen naar de hoek en ik vraag of hij dan tenminste om wil draaien.
‘Ga jij maar eerst’ zeg ik tegen Moniek ‘want ik vrees dat ik zal stinken.’ Het is een gênant gebaar om met mijn geboeide hand tegen het kruis van Moniek te komen als zij met beide handen haar broek openmaakt en naar beneden trekt. Gehurkt plast ze in de emmer. Er staat een rol wc papier naast en onze handen werken samen om er een stuk van te scheuren. Ik wend mijn hoofd af wanneer haar hand tussen haar benen verdwijnt om zich schoon te vegen.
O mijn god, wat een vernederende situatie.
Als het mijn beurt is kijkt Moniek de andere kant op, spetterend komt mijn ontlading in de emmer en ik schaam me diep als de bijbehorende geur naar boven stijgt. Ik wil ter plekke doodvallen. ‘Nee dat wil je niet’, spreek ik mezelf vermanend in stilte toe.’
Ik hijs mijn broek weer op en doe snel het deksel op de emmer. Als ik me omdraai treffen onze ogen elkaar en Moniek knijpt de hare even samen dicht met een licht knikkend hoofdgebaar, me woordeloos moed insprekend.

Guide trekt zijn rugzak aan en hangt een aantal touwen kruiselings rond zijn lichaam.
‘Party-time ladies.’

Overgang(etje)

overgang

Help, ik zit in de overgang.

Ho maar, ik ga jullie niet vermoeien met zeuren over opvliegers, of verhalen over badend in het zweet wakker worden om vervolgens uren wakker te liggen. Over hangtieten en extra zwembandjes.

Of de stemmingswisselingen waarbij je van het ene op het andere moment een labiel emotioneel jankende vrouw wordt, met enorm zelfmedelijden. Onbegrijpelijk kijkende leden van het gezin die zich geen raad weten met de chagrijnige vrouw des huizes die anders altijd zo vrolijk en meegaand was. NEE! (alhoewel dit me wel even opluchtte).

Mijn hele leventje bevindt zich momenteel in een overgang… Ik heb er bijna een half decennium opzitten en ben in een Midlife crisis beland. Nee, niet stoppen nu. Hou nog even vol met lezen.

Ik ben voor het eerst in mijn leven Toos Werkeloos. En als in België wonende Nederlandse heeft dat behoorlijke gevolgen. Na ruim 25 jaar lang braaf maandelijks mijn premie in Nederland te hebben afgedragen (wij wonen nu 8 jaar over de grens) blijkt dat ik toch in mijn woonland een uitkering moet aanvragen. En aangezien ik voor een klein deeltje in de zaak van mijn echtgenoot zit (we hebben een VOF) is dat voor de Belgische bureaucratie zeer simpel: u bent zelfstandige dus geen recht op uitkering. Ik heb in mijn laatste functie 32 uur per week voor een baas gewerkt en hoewel ik zeer zelfstandig kan functioneren was ik toch in loondienst hoor, met alle premies en verplichtingen die daar bij horen.

Opeens heb ik uren tijd. Als man en kinderen naar school zijn vertrokken begin ik aan de tijdens het laatste jaar opgestapelde bende in ons huis. Gelukkig is het niet zo erg dat hulptroepen zoals Tante Kaat of Sonja en Inge (Hoe schoon is uw huis*) langs moeten komen. Systematisch is het hele huis van boven naar onder opgeruimd en schoongemaakt. Het geheel is beloond met een verfje van de kamer en een opgeschuurde parketvloer. Dit moet toch voldoening geven, denk je bij jezelf. Ik wil ook niet echt klagen over de overgang van rommel naar opgeruimd. “Een opgeruimd huis zorgt voor een opgeruimd hoofd” is de slogan. Helaas is mijn hoofd wel erg opgeruimd. Eindelijk heb ik nu tijd om te gaan schrijven. Mijn boek af te maken of mijn trouwe fans op Vertelles te belonen voor het lange wachten en deel 12 te schrijven van “Onderaards”. En nu durf ik niet. Bang om mijn laptop open te klappen en mijn vingers bewegingsloos op het toetsenbord te zien liggen. Enkele maanden geleden reed ik nog dagelijks tweemaal een uur met de auto naar kantoor en terug naar huis, mijn hoofd vol van verhalenlijnen. Hunkerend naar een vrije dag om me op te sluiten met mijn computer en los te gaan. En nu ik zeeën van tijd heb, ben ik alleen maar als een gek op zoek naar werk, surf ik hele dagen op internet om een leuke geschikte baan te vinden. Zou dit dan toch aan de overgang liggen?

Nee, sommige overgangen zijn niet leuk. Maar ik weet zeker dat wanneer ik dit over een tijdje terug lees bij mezelf zal lachen en de woorden van mijn oma in mijn oren hoor klinken: alles gaat altijd over en dan gaat het leven weer zijn gewone gangetje. Het overgangetje.

 

Nirwana

weerwolf

Donkere wolken zwart als de nacht
verduisteren
mijn hoofd

Weigerend lichaam
telkens weer
een andere storm
trotserend

Huilend
als een weerwolf
doorklieft
mijn kreet
het eindeloze
donkere dal

IJselijk kil
de lucht bevriest
mijn geest
ontsnapt
uit de klauwen
van de duisternis

Hunkerend
naar het licht
van
warme zonnestralen

Opeens verschijnt
uit het niets
een langgekoesterde
droom
Of lijd ik
aan gezichtsbedrog
zie ik slechts
luchtspiegelingen
in de dorre woestijn
een nirwana

Gedragen
door
een ontembaar vuur
drijf ik
als een luchtballon
op weg
naar een nieuwe horizon

Nooit Meer

voorbij

Ik verstar
als ik ze hoor
Je voetstappen
door de gang
Op de trap

Kloppend hart
als je nummer
verschijnt
Mijn keel
knijpt dicht
van angst

Vernedering
Hoe heb ik mij
zo laten doen
jou het vertrouwen
in mijzelf
te doen ontnemen

Schaamte
dat ik dit heb toegestaan
en niet gewoon
ben weggegaan
nooit meer

©Elles Jansen

Onderaards- deel 11

grot

 

‘Au, mijn hoofd. Waar zijn we? Wat is er gebeurd?’
Ze probeert omhoog te komen maar krijgt al snel in de gaten dat ze vastgebonden is. De paniek slaat toe en ze begint te gillen.

 

 
‘Ssst, Moniek. Stop. Stop met gillen’ probeer ik haar te kalmeren.
Ze stopt met gillen en kijkt me angstig aan.
‘Shit Sas, waar zijn we. Waar is Thom? Waar is die gek van een Guido?’
‘Ik weet het ook niet, maar goed is het niet’.
Mijn mond voelt droog en ik besef dat ik al uren niks meer heb gedronken. Het verlangen naar een glas koud water vult mijn gedachten en overheerst alles. Net als wanneer je een mier ziet lopen en acuut jeuk over je hele lichaam krijgt.
Ik kijk om me heen maar de ruimte is leeg. Omdat mijn handen op mijn rug zijn vastgebonden kan ik niet op mijn horloge kijken, ik heb geen idee hoe laat het is en hoe lang we hier al vastzitten.

‘Zullen we samen proberen om je rechtop te krijgen?” vraag ik aan Moniek. Ze rolt zich op haar linkerzijde en trekt haar bijeengebonden benen op. Ik wurm mijn voeten onder haar schouder en hef haar bovenlichaam op. Mijn buikspieren protesteren maar het lukt. Hijgend kruipt ze op haar knieën en richt zich verder op. Het lukt om te gaan staan.
‘Draai eens met je rug naar me toe, dan probeer ik te kijken hoe laat het is op je horloge.’
‘Doe geen moeite, ik heb geen horloge aan. Ik kijk altijd op mijn telefoon als ik de tijd wil weten. En ik heb mijn telefoon in de hotelkamer gelaten omdat ik wist dat we in de grotten toch geen bereik zouden hebben.’
‘Oké, probeer dan op de mijne te kijken. Ik wil weten hoe lang we hier al zitten.’
Met enige moeite weet ik mezelf ook op beide knieën te krijgen en op te staan. Maar mijn armen zijn zo strak aan elkaar gebonden dat het niet mogelijk is om een blik op mijn horloge te werpen.
Koortsachtig zoeken we iets scherps, iets wat uitsteekt waar we met het touw langs kunnen schuren om los te raken. Niets.

We staan rug aan rug en proberen met onze vingers het touw te ontwarren waarmee onze armen zijn vastgebonden.
De knopen in het touw zijn vakkundig gemaakt, het zou me niets verbazen als Guido bij de Scouting had gezeten toen hij kind was.

Opeens horen we het geluid van een sleutel die in een slot wordt gestopt. We laten ons zo snel mogelijk op de grond. Mijn hart klopt in mijn keel als ik de deur zie openzwaaien en Guido zie binnenkomen. Hij heeft de kap van zijn sweatshirt over zijn hoofd getrokken.

‘Zo dames, weer wakker zie ik? Jullie zullen wel honger en dorst hebben, ik heb er tenminste op gerekend.’
Hij zet zijn zwarte rugzak op de grond en ritst de bovenkant open. Zijn gehandschoende hand duikt de geopende rugzak in en vist er enkele in papier gerolde dingen uit. Er zit een rood-wit geruit servetje om dat met een elastiekje op zijn plaats gehouden wordt. Ik vermoed dat het belegde broodjes zijn. Verder haalt hij enkele flesjes water uit de tas en drie blikjes cola, een tros bananen en een paar appels. Ondanks de spanning lik ik langs mijn lippen want ik verga van de dorst. En afgaande op het gerammeld in mijn maag, heb ik ook honger al ben ik zo verrekte bang en onrustig, dat ik me afvraag of ik kan eten.
Hij ritst het vak dicht en opent een ander vak waar hij, tot mijn ontzetting een mes uitpakt en twee paar handboeien.
Ik kijk naar Moniek die ook angstig toekijkt. We hebben beiden nog geen geluid gemaakt, proberen zelfs niet te bewegen. Alsof hij onze aanwezigheid zou vergeten.

Hij pakt zijn mes en de handboeien en loopt op ons af. We deinzen terug maar doordat we vastgebonden zijn schuiven we niet meer dan enkele centimeters achteruit. Hij snijdt het touw rond onze enkels door.

‘Jullie hoeven niet bang te zijn hoor, ik ga jullie heus niet vermoorden. In ieder geval niet zelf. Of en hoe jullie dit gaan overleven, hangt geheel en al van jullie zelf af.’

‘Ga naast elkaar zitten’, gebiedt hij.
Met veel moeite schuiven we naast elkaar. Hij gaat achter ons staan, knielt neer en klikt een handboei om één van mijn polsen en slaat de andere om de pols van Moniek. Dan snijdt hij in een snelle beweging de touwen rond onze polsen door. We zitten dus met één hand aan elkaar vast waardoor onze buitenste arm vrij komt. De andere handboei gebruikt hij om onze geboeide handen vast te klikken aan een ring in de muur. Hij neemt geen enkel risico nu onze voeten niet meer aan elkaar gebonden zijn.

‘Wat ben je met ons van plan?’ vraagt Moniek met een bibberstem.
‘Survivallen’, zegt hij met een grote grijns. ‘Daar zijn jullie toch voor gekomen, en dat gaan we doen. Maar op mijn manier en niet voor halfzachte toeristjes. Jullie zullen je krachten hard genoeg nodig hebben, dus eerst eens even wat eten. ‘

 

 

 

 

De Laatste Akte

 

de laatste akte
Zonlicht valt op haar dansende krullen, de rode gloed wordt er door benadrukt. Ik zie mannenhoofden bewonderend omdraaien als ze voorbij loopt. Ze is nog even mooi als toen ik haar de eerste keer zag, op ditzelfde plein. Ik zat toen buiten op het terras met mijn vrienden. Een heel leven voor me. 

 

 

En nu, nu is de slotfase ingezet. De specialist was zeer duidelijk vanmorgen. Hoe moet ik dat nu tegen haar gaan zeggen. Ik neem nog een slok van mijn whisky, er rest niet veel tijd of ze zal binnen stappen.
‘Sterkte maat.’
Ik voel een hand op mijn schouder en kijk even naar mijn beste vriend, de uitbater van deze lunchroom. Wat was het fijn dat hij me op kwam halen in het ziekenhuis vanmorgen. Ik had echt niet zelf kunnen rijden, ook al had het gemogen.
Mijn hele leven heb ik alles kunnen sturen, als regisseur heb ik talloze toneelstukken en musicals laten schitteren op het podium. Zelf in de coulissen, ik sta niet graag in de schijnwerpers. Maar in dit stuk zal ik zelf de hoofdrol spelen.

‘Dag schat. Wat een verrassing dat je naar de stad gekomen bent om met me te lunchen.’
Kristel kust mijn wang en haar parfum vult mijn neusgaten.  Een zoete, maar ook frisse bloemengeur. Al zou ik blind zijn, dan nog zou ik haar uit duizenden herkennen.
‘Dag schoonheid, lang geleden.’ Peter is aan komen lopen om haar jas aan te nemen.
‘Hé Peter, hoe gaat het?’
‘Goed, ik mag niet klagen. Weinig last van de crisis. Mensen komen winkelen, kopen niet veel maar honger en dorst blijven ze houden.’

Dat klopt wel, sinds ik hier zit heb ik vele dames voorbij zien lopen en slechts de helft draagt een tas van een schoenen- of kledingwinkel. De zaak zit echter bomvol, vriendinnen aan de high-tea, dames aan koffie met gebak, moeders en dochters aan een salade.

‘Willen jullie wat eten, of alleen wat drinken?’
‘We nemen de specialiteit van het huis, wat dacht jij m’n vriend?’
Peter lacht en neemt de kaart weer ongelezen mee terug.
Ik kijk Kristel aan en een brok schiet in mijn keel. Daar zit ik dan, altijd praat genoeg maar nu geen woorden kunnen vinden.
‘Wat is er schat, je kijkt zo ernstig.’
Ik leg mijn hand over de hare. Haar slanke lange vingers met de diamanten ring die ik haar gegeven heb toen we 12,5 jaar samen waren. Zij was mijn ruwe diamant, ik heb haar geslepen. Alle facetten van het volle leven laten zien. Dat is het voordeel als je een relatie hebt met een jongere vrouw. Zelf ben je niet meer zo bleu, je wilde haren al lang verdwenen, en stoer doen met je vrienden en je lam zuipen is verleden tijd. Je hebt wat te bieden, geld speelt geen rol. En zij hangt aan je lippen, is gevleid dat jij als gevierd regisseur je oog op haar hebt laten vallen.
‘Lieverd, ik moet je wat zeggen.’
Ze kleurt, eerst wordt ze spierwit en dan knalrood. Ik probeer mijn verbazing te maskeren en slik mijn woorden in. Ik heb genoeg mensenkennis om aan te voelen komen wat ze gaat zeggen.
‘Het betekent niks, ik hou alleen van jou. Dat weet je toch? Het was een vergissing. Het is maar een paar keer gebeurd.’
Ik trek mijn hand terug, de diamant brandde net iets te hard in mijn handpalm. Nooit eerder gevoeld dat deze scherpe punten bevatte.
Een scherpe vlam treft mijn hart maar dooft voordat hij verder oplaait. Wat een rare gewaarwording. Hoe anders is het leven als je weet dat je tijd bijna om is. Het is het niet waard om hier een drama van te maken. De pijn van haar bedrog kan mijn bloedend hart niet verder raken, mijn hart is aan het sterven. Dat moet wel want anders is het niet de dragen. Het enige wat me te doen staat, is zorgen voor een onvergetelijk einde. Iets wat het publiek bij zal blijven zodat ik onsterfelijk word. Langzaam dringt haar stem weer tot me door.
‘Schat zeg dan iets. Zeg dat je me vergeeft. Ik neem ontslag, ik ga daar weg. Alsjeblief, schat zeg iets. Ik hou alleen van jou. Jij bent alles voor me.’

Peter had op geen beter moment kunnen komen. Hij zet de karaf wijn tussen ons in en legt zijn hand troostend op haar rug.
‘Het is verschrikkelijk, maar ik ben er voor jullie hoor. Voor jullie allebei.’
‘Weet hij het ook al? Waarom heb je het niet eerst tegen mij gezegd’ haar stem klinkt licht hysterisch.
‘Tja, ik weet het ook nog maar net. Hij heeft het zelf pas vanochtend gehoord.’
Ik probeer Peters blik te vangen en hem te laten ophouden met praten. Ik wil het nu even niet over mijn diagnose hebben. Laat haar voorlopig maar in de waan dat hij weet dat ze me bedrogen heeft.
Mijn vriendschap met Peter dateert al van de lagere school. Mijn hersenen zenden zulke sterke signalen uit dat hij ze wel binnen moet krijgen. Het moet.

‘Dit is het ergste scenario dat kan gebeuren, ik ben er helemaal kapot van,’ zegt hij en zijn ogen vullen zich met tranen.
‘Maar het stel helemaal niks voor. Het betekent niks. Ik neem straks direct ontslag.’
Eindelijk kijkt Peter mij aan. Snel maak ik een vermanende beweging met mijn ogen. Ik kan spreken zonder geluid, ook één van mijn regisseursvoordelen. Peter snapt het direct, hij is niet alleen mijn beste vriend maar ook een zeer goed acteur en maakt al jaren deel uit van het vaste amateur- theatergezelschap waar ik mee werk.
Hij herstelt zich dan ook wonderbaarlijk snel. Hij schenkt de wijn in, het geeft hem even iets te doen.
‘Ik laat jullie even,’ zegt hij en loopt weg.
‘Waarom heb je er eerst met hem over gesproken? Hij heeft altijd al op de eerste plaats gestaan.’ Deze verwijtende opmerking doet me vermoeden dat er meer aan de hand is en haar overspel misschien toch niet zo weinig voorstelt als ze mij voorspiegelt. Raar hoe mijn aangetaste hersenen die over enkele maanden zo ver verrot zullen zijn, nu nog zo scherp een analyse kunnen maken.
Veel te snel komt Peter alweer terug met twee borden Scampi  in Duivelssaus, suggestie van de Chef.

‘We hebben het er vanavond wel over, laten we nu eerst proberen te genieten van Ons gerecht.’ Ik hef proostend mijn glas  ‘De naam leek nog nooit zo toepasselijk als vandaag’.
Kristel schuift abrupt haar stoel naar achteren en pakt haar tas. ‘Ik heb geen trek meer, tot vanavond’, snikt ze en loopt weg.
Peter staat in mum van tijd terug aan mijn tafeltje.
Ik vertel hem in het kort wat er gebeurd is.
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ zegt hij.
‘Zeg dan niets, en eet even mee. Zonde van die heerlijke scampi.’
‘Hoe kan je nu eten?’
‘Ach, het onvermijdelijke. Daar kan zelfs ik niets aan veranderen. Dit stuk wordt volgens andere regels gespeeld mijn beste vriend. Daarom wil ik jou om een gunst vragen. Het vergt wel enig lef, ben ik bang.’
Peter neemt plaats en begint te eten.  We eten zwijgend. Peter kan heel goed wachten. Hij kent me.
Als ik mijn lege bord van me afschuif kijkt hij me aan. Meer heb ik niet nodig om mijn plan te ontvouwen.
Al die tijd luistert hij, zonder me te onderbreken. Heel even flikkert er iets in zijn ogen, de pijn treft mij recht in mijn hart. Maar het is geen pijn om wat ik van hem vraag, het is de gedeelde pijn om het naderende afscheid. Het onvermijdelijke.
‘Je mag er gerust over nadenken, je hoeft nu niet gelijk te antwoorden. Het zou veel voor me betekenen als je ja zegt maar ik wil je absoluut niet onder druk zetten. Als je nee zegt, heb ik daar alle begrip voor.’
‘Ik hoef niet na te denken. Je kunt op me rekenen. Je bent mijn vriend.’
Mijn ogen vullen zich met tranen, verwoed dring ik ze weg. We staan op en omhelzen elkaar kort. Dan verlaat ik de zaak. Zonder te betalen, maar dat realiseer ik me pas als ik buiten sta. Terug naar binnen is even geen optie. Ik begin te lopen. Frisse lucht moet ik hebben.

Het is al laat in de middag als ik de sleutel in het voordeurslot steek. Zodra ik binnen ben komt Krisel de trap afrennen. Haar ogen zijn gezwollen.
‘O, gelukkig daar ben je.’
Ze wil me om mijn nek vliegen maar ik weer haar af.
‘Kristel, er is iets dat je moet weten. Laten we naar de woonkamer gaan.’
Ik ga bewust niet op de bank zitten maar in een stoel en kijk haar niet aan als ik herhaal wat de specialist vanmorgen tegen me heeft gezegd.  Ze begint te huilen en ik zit onbewogen in mijn stoel. Verdoofd, alsof het niet over mezelf gaat. Alsof ik als regisseur naar een slechte scene moet kijken.
‘Hoe kan die specialist nu zeggen dat je maar drie maanden meer hebt? Hij kan het toch ook mis hebben?’ Ze gaat steeds harder huilen. Staat op en begint heen en weer te lopen, druk gebarend met haar handen.
‘We gaan naar een ander ziekenhuis, naar een andere specialist voor een second opinion. Ik kan niet geloven dat dit het is. We kunnen niet zomaar opgeven. Ik wil je niet kwijt.’
‘Dat kan me eigenlijk allemaal niet schelen. Ik ga dood Kristel en ik wil er zelf de regie over hebben. Ik wil waardig sterven en niet vergaan van de pijn of niet meer weten wat ik doe. De arts heeft me alle scenario’s voorgehouden, één ervan is dat ik opeens zo maar ergens kan lopen zonder dat ik weet hoe ik er gekomen ben. Ik mag geen auto meer rijden. Die staat nog bij het ziekenhuis trouwens, Peter is me komen halen.’
Ze opent haar mond als ze dat laatste hoort maar sluit hem even snel. Nu even niet.
‘Dus als ik het goed begrijp wil je euthanasie.’
‘Nee, ik wil geen gedoe. Dat duurt allemaal veel te lang. Voor dat allemaal geregeld is, second opinion en alles. Daar heb ik geen tijd voor. Ik doe het zelf.’
Geschokt kijkt ze me aan. Ze kent me goed genoeg om te weten dat ik het meen.
‘Ik voer de regie over mijn eigen slotscène.’
Dan vertel ik haar hetzelfde wat ik al eerder vandaag tegen Peter heb gezegd. Ik heb voldoende pillen om er een einde aan te kunnen maken. In het stuk dat we momenteel draaien, is toevallig een sterfscène opgenomen. Mijn plan is om tijdens de laatste avond, vandaag over een week, dood te gaan en al in de kist te liggen die tijdens de slotscène op het toneel gereden wordt. Uiteraard zal ik hetzelfde geschminkt zijn als Peter, ik neem gewoon zijn plaats in. Het publiek en de acteurs zullen treuren, hun eerbetoon aan mij zonder dat ze er erg in hebben.
Peter moet ervoor zorgen dat ik overdag in alle rust mijn plan uit kan voeren.

Kristel wordt boos. ‘Je bent hartstikke gek, weet je dat? Ik sta het niet toe.’
‘Lieve schat, na vandaag heb jij niets meer te willen of te eisen. Dat voorrecht heb je verspeeld toen je me bedroog maar ik vergeef het je.’

De week vliegt voorbij. Ik had er geen idee van wat er allemaal geregeld moest worden. Want tenslotte wil ik natuurlijk overal de regie over houden. Ik wil mijn nalatenschap regelen, mijn beste vrienden en familie bezoeken. Ik speel de rol van mijn leven, niemand merkt dat het de laatste keer is dat ze me levend zullen zien. We praten over van alles en nog wat, soms ook wat diepzinniger als ik daar de behoefte toe voel. Dat heb je tenslotte niet met iedereen en het is er ook niet altijd het juiste moment voor. Maar niemand zal zich achteraf kunnen verwijten dat hij me veel te lang niet heeft gesproken.

Ik ben best trots op mezelf, het vergt nogal wat moed. Het meeste contact heb ik met Peter. Ik heb de hele week bij hem gelogeerd nadat Kristel met haar koffer vertrokken was. Ik weet niet of ze terugkomt voor de begrafenis maar ik denk het wel. Tenslotte weet alleen Peter van haar bedrog, dus ze zal de schijn die dag wel op kunnen houden en de treurende weduwe spelen.

Ik heb gezorgd dat de helft van onze bezittingen aan haar worden nagelaten. Het huis is vrij, dat is een geluk want bij zelfdoding keert de verzekering niet uit. Dat waren de kleine lettertjes die er niet toe deden op het moment dat wij onze handtekening plaatsten.

Het scenario voor de begrafenis was het moeilijkste. Dat was iets wat ik grotendeels alleen heb gedaan. Ik heb alles uitgeschreven zoals voor een uitvoering. Teksten die voorgelezen moeten worden, gedichten. De keuze van de bloemen ‘het decor.’ De muziek kiezen vond ik nog het prettigste onderdeel. Ik wil begraven worden en niet gecremeerd. Het biedt mensen troost om naar een graf te gaan en ik wil bij mijn vader liggen.

Eindelijk is het zover. Het is tijd. Dit had ik toch niet langer volgehouden. Ik ben moe, vreselijk moe.
Brenda schminkt mijn gezicht. Ze is de vriendin van Peter en doet altijd de schmink. De tranen rollen over haar wangen. We hebben afgesproken dat ze vanavond tegen de crew zeggen dat ik niet lekker ben omdat Kristel er vandoor is. Peter zal de regie overnemen. De stand-in heeft zijn rol overgenomen. Die had er toch al moeite mee om in een doodskist te kruipen dus tegen hem hebben we gezegd dat ik dat zou doen, niemand zou daar erg in hebben.
Ondanks alle ellende hebben Peter en ik toch nog moeten lachen om deze meesterlijke zet van bedrog.

De lijkwagen krijgt pech. De chauffeur ziet rook vanonder de motorkap komen. Hij stuurt snel de pechstrook op. Het kan toch niet zijn dat de auto in de fik vliegt op weg naar het crematorium.

De rouwstoet sluit aan op de vluchtstrook. Er ontstaat ruzie tussen een man en een vrouw.

‘Ik zei je toch dat hij zelf de regie wilde voeren. Hij wil niet gecremeerd worden en zou er alles aan doen om dat te voorkomen, daar ben ik van overtuigd. Je had het brutale lef om tegen zijn uitdrukkelijke wensen in te gaan en zie wat er van komt.’

‘Ach stik erin, je mag hem hebben. Ik ga terug naar huis. Als jullie maar niet denken dat ik dat graf ga onderhouden.’

 

18-12-2013 Elles Jansen©

Nog even

vaderHet was op een vrijdag. Eigenlijk waren de weken ervoor ook dramatisch maar dat besefte ik pas later, toen het ergste verdriet plaats maakte voor de vele overpeinzingen die volgen als je terug gaat in de tijd van je herinneringen.

 

 

Mijn vader was een hartpatiënt. Tien jaar eerder was hij in de tuin aan het werken toen hij niet goed werd. Hij is naar binnen gegaan en heeft een borrel genomen, later bleek dat hij een hartinfarct had gehad. Mijn vader was toen 58 jaar en werkte als vertegenwoordiger bij een sigarettenfabrikant. De druk om te presteren was hoog en na jaren in West-Brabant en Zeeland gewerkt te hebben, werd mijn vader naar het drukke Rotterdam gestuurd. Op zijn leeftijd. Hij had een ijzeren staaf in de kattenbak van zijn stationwagen liggen omdat hij bij het uitladen van zijn auto al regelmatig was bedreigd. Kan je het je voorstellen? Om stomme sigaretten?
Na zijn infarct volgde een tien uur durende open-hart operatie in De Klokkenberg in Breda. Mijn moeder en ik, erg close nog in die tijd, waren de hele dag samen en werden ieder uur gebeld over het verloop van de operatie. Het was allemaal goed gelukt, drie omleidingen had hij gekregen. We mochten naar Breda komen en bij hem zijn als hij zou ontwaken uit de narcose. Nooit meer zal ik vergeten hoe mijn vader daar lag, in dat ziekenhuisbed op de Intensive Care. Aan allerlei apparaten en slangen. Lijkbleek, zijn gezicht vertrokken van de pijn.
“Ik ga nooit meer roken” zei hij met droge, gesprongen lippen en krakende stem. Een jaar later was hij deze belofte al weer vergeten.

Op 16 april 1994 kreeg ik tijdens mijn werk een telefoontje. Mijn vader was opgenomen in het ziekenhuis in Bergen op Zoom. Hij had opnieuw een hartinfarct gehad. Ditmaal zag het er allemaal niet zo mooi uit. Door de vorige operatie waren er verklevingen en het was ook onzeker of zijn eigen aderen uit zijn benen gebruikt konden worden voor nieuwe omleidingen.
Die zondag zat mijn huis vol met verjaardagsvisite voor mijn man, ik heb de boel de boel gelaten en ben naar Bergen op Zoom gereden om mijn vader op te zoeken. We waren maar met zijn tweeën, mijn vader en ik. Hij keek terug op zijn leven met mijn moeder. Ze hadden nooit bij elkaar moeten blijven.

Op de IC kregen mijn moeder en ik enorme ruzie aan het bed van mijn vader. Mijn vader wist inmiddels dat het niet goed zat en dat hij als hij terug thuis zou komen, niet meer kon gaan etaleren. Dat deed hij na zijn pensioen om een centje bij te verdienen. Hij vroeg mijn moeder of hij dan af en toe haar auto kon lenen maar daar deed ze vreselijk moeilijk over. Hij moest maar een brommertje kopen. Wat haatte ik haar op dat moment.

De volgende ochtend kreeg ik telefoon, het was Secretaressedag. Ik had net van mijn baas een enorme bos fluweelrode rozen gekregen. Ik heb ze nooit meer in een vaas zien staan.
In sneltreinvaart ben ik uit het ziekenhuis waar ik werkte naar het ziekenhuis in Bergen op Zoom gereden. Mijn moeder stond bij de spoed, mijn vader werd op een brancard de ambulance in gereden. Wij volgenden de ambulance naar Breda. Die donderdagavond ging ik nog op bezoek bij mijn vader. Ik gaf hem een kus en zei: ik zie je morgen. Hij was bang, vreselijk bang. De volgende ochtend, vrijdag 22 april, heb ik hem nog gebeld voordat hij naar de OK ging. Tot straks papa.
Ik ging die dag naar mijn moeder. De het was bewolkt maar ik wilde het gras maaien. Dat had ik tien jaar geleden ook gedaan. Ik wilde de tuin mooi maken voor mijn vader zodat hij als hij thuis kwam, lekker van de tuin kon genieten zonder dat hij er iets voor hoefde te doen. Mijn moeder zat binnen in de kamer overhemden te verstellen, knopen aan te naaien. Ieder uur werden wij op de hoogte gebracht van de vorderingen. Het openmaken van het borstbeen, de moeilijkste fase van de ingreep door de verklevingen, was goed gegaan. Er waren bloedingen maar die waren gestelpt.
Een uur later weer telefoon, de aderen uit zijn benen waren bruikbaar en de omleidingen waren aangelegd. Alles verliep buitengewoon goed.
De zon brak door, het zou goed komen. Ik wist het zeker. Tien jaar geleden brak de zon ook door. Een dejavu…
De telefoon ging weer. Ik liep naar binnen en hoorde op de radio het nummer van Santana. En de grond zakte onder mijn voeten vandaan. Nog voor mijn moeder in hal een kreet slaakte en het overhemd uit haar handen liet vallen.
Ze hadden alles geprobeerd, mijn vader moest van de hartlongmachine losgekoppeld worden om zelf weer zijn hart het werk te laten doen. Dit was niet gelukt. Ze hadden hem terug aan de hart-longmachine gelegd maar nu moest hij toch echt zelf verder… maar zijn hart, zijn warme hart dat altijd voor iedereen alles overhad, had het hart niet om mijn vader terug bij ons te brengen.
Het gekke is, dat ik het gezicht van mijn vader nooit meer voor mijn geest heb kunnen halen. Alsof er een soort beschermingsmechanisme in mij in werking is gesteld. Er is ook niet één foto te vinden waarop mijn vader recht in de camera kijkt. Alle foto’s zijn en profiel.
Nog altijd kan ik die eerste tonen van Santana niet verdragen, mijn keel knijpt dicht en ik krijg geen lucht. Maar mijn vader, hij leeft verder in mij. Ieder dag. Zijn muziek komt altijd te hulp op moeilijke momenten in mijn leven. Dan is daar opeens bijvoorbeeld “In the Summertime” van Desmond Dekker and the Aces op de radio. Of komt er met Kerst als ik aan het winkelen ben en bij een etalage sta, een dixieland jazzbandje voorbij gelopen “All of me” spelend.
En nu ik zelf kinderen heb zie ik de Jansen-karaktertrek overduidelijk terugkomen in onze jongste zoon. Wat zou hij ervan genoten hebben, van zijn kleinkinderen. Ach, kon ik hem nog maar heel even…

 

Het lot

 

bedelaar

Geen Kerst- maar Oudejaarsverhaal…

 

 

 

 

Anne zette de zware boodschappentassen even op de grond. Ze balde haar gevoelloze vingers tot een vuist en vervloekte de hufter die haar fiets had gestolen. Ze kon het nog altijd niet geloven. Ze was de winkel uitgelopen naar haar fiets en vond alleen nog het kettingslot rond de paal waar ze eerder die ochtend haar nieuwe Batavus aan had vastgelegd. De zware stalen schakelketting lag op de grond, opengeknipt. Het hangslot was nog gewoon dicht. Op klaarlichte dag had gewoon iemand met een betonschaar dat fietsslot opengeknipt en niemand had alarm geslagen. De fiets was nog maar een maand oud. Ze had hem gekocht met de fietsregeling via haar werk. Sinds de scheiding had ze geen auto meer, die was van haar ex. Dat zij iedere dag de kinderen naar school moest brengen terwijl hij met de trein naar zijn werk ging, boeide hem niet. Hij gunde haar de auto gewoonweg niet.

Een koude windvlaag bracht Anne weer terug op het winkelcentrum. Ze bukte zich om de volle Albert Hein tassen weer op te tillen. De flessen Cola en Kidibul kinderchampagne wogen behoorlijk door. Maar ja, wie had kunnen weten dat ze te voet naar huis moest lopen. Die tassen aan het fietsstuur was nog te doen geweest. Anne schrok op van een harde knal en keek naar rechts waar het geluid vandaan leek te komen. Een groepje jongeren was al rotjes aan het afsteken. Ze hadden hun rugzakken bij elkaar gegooid en stonden in een steegje tussen twee stenen muren waar de echo goed bleef hangen. Ze hadden zoveel vuurwerk dat het om middernacht nog niet op zou zijn.

Anne stopte bij de oliebollenkraam. Er stond een lange rij maar dat vond ze niet zo erg. Zo kon ze nog even rusten. Het was ook stom geweest om haar mobiele telefoon thuis te laten. Anders had ze een vriendin kunnen bellen om haar te komen ophalen. De kinderen waren bij Johan maar zouden tegen zessen naar haar komen om samen oudjaar te vieren. Johan ging stappen, dat was haar geluk want het was eigenlijk niet haar weekend.
De wachtende mensen stonden te mopperen dat het zo lang duurde. Anne stoorde zich eraan. Een eindje verderop zat een oude man te bedelen. En hier stond iedereen in warme merkkleding en op Uggs of andere duur uitziende laarzen te zeuren omdat ze moesten wachten op vers gebakken oliebollen. Ze moesten zich schamen. Anne hoorde het gesprek aan tussen twee vrouwen over de hockey en geroddel over moeders van andere teamgenoten van hun ‘perfecte dochters’. De rij ging langzaam vooruit en toen Anne aan de beurt was, werd er net een verse, warme lading oliebollen uit het vet geschept en op de serveerbladen achter de glazen vitrine gerold. Het water liep haar in de mond. Ze bestelde vijf gewone, vijf met krenten en vijf appelbeignets. En toen ze afrekenende nam ze in een opwelling nog een zak van vijf met extra suiker. Ze legde de zakken voorzichtig bovenop de boodschappen en pakte de zware tassen op. Toen liep ze naar de bedelaar. Ze zette de tassen neer en haalde er de zak met vijf oliebollen uit.

De man keek op en keek recht in haar ogen. Ze schrok een beetje van zijn directe blik. Er was geen schaamte te bespeuren, maar meer een beetje ongeloof en hoop.
“Kijk eens meneer, heeft u misschien zin in een lekkere warme oliebol?” Ze frommelde de zak open en hield hem voor. De man stak zijn hand uit die in de zak verdween.
“Dank u wel mevrouw, wat een mooi gebaar van u.” Hij bracht de heerlijk geurende oliebol dicht bij zijn neus, snoof diep en nam een hap. Het poedersuiker viel op zijn baard en het viel Anne op dat hij er eigenlijk niet zo smerig uitzag. Zijn jas was kapot en ook in zijn spijkerbroek zaten scheuren maar hij stonk niet. Zijn tanden zagen er vreemd genoeg verzorgd uit. Het was maar een vreemde snuiter. Hij had de oliebol erg snel verorberd en Anne bood hem de zak aan.
“Hier de rest is ook voor u, ik ga verder want de kinderen komen zo thuis van hun vader.”
Ze voelde in haar jaszak en vond er nog wat los geld wat ze in de pet gooide die op de grond lag.
“Ik hoop voor u dat 2014 beter mag beginnen dan dat 2013 eindigt,” zei ze.
Op het moment dat ze enigszins beschaamd de overvolle boodschappentassen op wilde pakken stond hij op.
“Mevrouw, sta me toe. Ik loop met u naar de auto met die zware tassen.”
“Dank u vriendelijk, maar dat is echt niet nodig.”
“Ik sta erop. De ene dienst is de andere waard.”
“Ik heb geen auto, ik moet te voet naar huis. Mijn fiets is zojuist gestolen. Voor mij eindigt 2013 ook niet zoals ik gedacht had maar het lot is soms niet in onze hand.” De vreemde zwerver had de tassen al opgepakt en Anne voelde zich vreselijk opgelaten. Ze wilde die vent echt niet naar haar flat leiden. Wie weet van hij van plan was. Hij voelde haar aarzeling en zette de tassen weer op de grond.
“Luister” zei hij. “Dit is niet wat ik ben. Niets is zoals het lijkt. U kunt me echt vertrouwen. Ik loop me u mee tot een straat van uw huis. Dan verdwijn ik weer maar hoeft u niet alleen met die zware tassen te sjouwen.”
Hij pakte de ene tas in zijn hand en samen pakten ze de tas met de zware flessen op. Ze staken het plein van het drukke winkelcentrum over en Anne voelde dat mensen naar hen keken. “Woont u ver hier vandaan?”
“Nee, valt gelukkig wel mee. Hier oversteken en dan richting het parkje”. Anne maakte met haar hoofd een knikkende beweging naar rechts. Het stoplicht sprong al op groen dus ze konden gelijk de drukke weg oversteken. Ze durfde niet te vragen waar hij vandaan kwam en of hij wel een dak boven zijn hoofd had. Ze dacht van wel want hij had geen tas of iets dergelijks bij zich wat ze bij andere zwervers wel eens gezien had. Zoals die man laatst in Amsterdam met zijn winkelkarretje vol rommel. Ze naderden het parkje en Anne zei: “Nou dank u meneer, ik ben er bijna. Vanaf hier lukt het me zelf wel weer”. De man zette de ene tas op de grond en ze lieten de andere tas ook maar even zakken.

“Ik heet Simon en ben geen zwerver. Ik ben ook niet dakloos. Ik heb vandaag de rol van mijn leven gespeeld. Ongeveer een half jaar geleden heb ik de loterij gewonnen. Ik ben zo rijk dat ik nooit meer hoef te werken. Opeens wil iedereen mijn vriend of vriendin zijn. Maar iedereen is eigenlijk alleen maar op mijn geld uit. Ik ben eenzamer dan ooit.”
Anne was met stomheid geslagen en zakte neer op het houten bankje waar ze stil waren blijven staan.“Ik heb oude kleding aangetrokken en mijn baard enkele weken laten staan en ben in diverse wijken in de stad gaan zitten bedelen. En weet je wat me opgevallen is? Dat in de armere buurt mensen sneller medelijden tonen en wat van hun spaarzame centjes afstaan. Heel wat anders dan hier in deze nieuwbouwbuurt. U bent vandaag de eerste die een vriendelijk gebaar maakte en wat voor een gebaar! En daarom beste mevrouw, heeft u vandaag ook een lot uit de loterij gewonnen”. Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde er een dikke envelop uit.
“Alstublieft, ik denk dat u hier wel een nieuwe fiets voor kunt kopen, en een heel gelukkig nieuwjaar. Soms is het lot ook u gunstig gezind.” De man draaide zich om en liep weg.

 

Het Kerstengeltje

engeltje
Het was vrijdag 23 december, de laatste schooldag voor de kerstvakantie.
Ingrid zwaaide haar zoontje Sam uit, die gehaast op zijn fiets sprong op weg naar school.
Toen hij niet meer omkeek, sloot ze de voordeur en leunde met haar voorhoofd tegen het koude glas.
Kerst.
Ze moest dit jaar niet veel boodschappen halen want ze waren eerste Kerstdag bij haar ouders en tweede Kerstdag… Ze zakte op de grond en begon onbedaarlijk te huilen.
Wessel duwde zijn kop onder haar arm. Hij wou haar troosten, of zelf getroost worden. Niets was meer hetzelfde. Ze sloeg haar armen om de Golden Retrever en bleef nog even zo zitten. Toen stond ze op. Ze moest in actie komen. Douchen, aankleden en naar buiten met Wessel.
De warme stralen uit de regendouche deden haar goed en ze bleef er extra lang onder staan.
Ze was net klaar met het droogföhnen van haar haren toen ze de telefoon hoorde overgaan.
“Hallo met Ingrid Huizen”
“Dag mevrouw Huizen, met het secretariaat van St. Jozef. Is uw zoontje ziek?”
“Sam ziek, hoezo? Hij is gewoon naar school.”
“Hij is niet hier mevrouw, zijn meester kwam ons vragen even naar huis te bellen.”
Ingrid keek op de wekker in de slaapkamer en zag dat het al 9.15 uur was. Sam was om 8.30 uur vertrokken. De school begon om 8.40 uur. Haar hart bonkte en haar oren gingen suizen, ze zakte op het bed.
“Mevrouw Huizen, bent u daar nog? Hallo, hallo. Mevrouw Huizen?”
“Ja, ja ik ben er nog. Ik snap het niet. Ik ga gauw de route rijden.”

In paniek rende ze de trap af, schoot haar schoenen aan en griste haar jas van de kapstok. Ze sprong op haar fiets. Wessel blafte met luid protest achter de glazen voordeur.
Het was niet ver naar de school. Ingrid verminderde vaart en keek of zijn fiets bij de buurtwinkel stond, misschien was hij stiekem snoep kopen maar er stond geen groene mountainbike.
Ze fietste van het parkeerterrein af en vervolgde de weg naar school. Ze zag niks. Bij het schoolhek stonden geen moeders meer. Ze fietste over het schoolplein, direct naar het secretariaat. De directeur kwam al naar buiten gelopen.
“En?”
“Ik heb niets gezien onderweg, ook niet bij de supermarkt.” Ingrid begon te huilen. “Dat kan toch niet. Hebben we al niet genoeg ellende gehad dit jaar?”
“Probeer rustig te blijven mevrouw, niet meteen het ergste denken. We zullen eerst in de klas vragen of iemand Sam heeft gezien vanmorgen,” zei de directeur terwijl ze richting de ingang liepen van de bovenbouw lokalen.
“Hij is vrij laat vertrokken,” zei Ingrid met gesmoorde stem.
De directeur opende de deur van het klaslokaal. De leerkracht kwam direct op hen toegelopen, ze overlegden even en toen vroeg meester Frank aan de kinderen of iemand Sam had gezien die ochtend.
“Waarom meester? Is er wat gebeurd?” riepen kinderen door elkaar. Sommigen stootten elkaar aan en wezen naar Ingrid: “Kijk daar staat zijn moeder.”
Niemand had Sam gezien.
“Kom” zei de directeur, “laten we teruggaan naar het secretariaat.”
Ingrid ging zitten en kreeg een glas water en kop koffie voorgezet. Ondertussen was de directeur aan het bellen met de politie.
“Ze komen eraan en zijn hier binnen vijf minuten.”
“Was er iets bijzonders vanmorgen?” vroeg de directeur.
“Nee, niks. Hij was wel een beetje stil maar het is ook een moeilijke tijd nu Kerst er aan komt.”
De deur van het secretariaat ging open en twee politieagenten kwamen binnen.
Ze stelden allerlei vragen aan Ingrid. Hoe laat was hij vertrokken. Hadden ze telefoonnummers van andere ouders, zodat gebeld kon worden of iemand hem had zien fietsen. Wat had hij aan, hoe zag zijn fiets eruit? Had ze een recente foto bij zich? Was er ruzie geweest die ochtend, hoe had Sam zich de laatste dagen gedragen? Waar zou hij naar toe gaan als hij weg zou lopen.
“Weg zou lopen?” zei Ingrid. “Waarom zou hij weglopen? We hebben alleen elkaar nog,” en ze begon opnieuw te huilen.
De vrouwelijke politieagent sloeg onhandig een arm om haar heen en klopte op haar schouder.
“We onderzoeken alle pistes mevrouw, daarom vragen we zoveel. Waar woont uw familie en heeft u al iemand gebeld?”
Ingrid schudde haar hoofd. En ze had ook geen foto van Sam bij zich. Ze was zonder tas of portemonnee vertrokken. En wie kon ze bellen? Haar moeder? Nee geen goed idee. Die zou gelijk instorten. Sam is haar lieveling. Ze besloot haar beste vriendin te bellen. Sam en Simon waren vriendjes ook al zat Simon op een andere school. Suzanne had een sleutel en kon thuis haar tas ophalen.
De politie vond dat Ingrid beter terug naar huis kon gaan. Als er wat gebeurd was, dan zou er naar huis gebeld worden en nu was er niemand om de telefoon op te nemen. Ze zetten haar fiets in het politiebusje en reden met haar naar huis. De directeur zou naar Suzanne bellen en zorgen dat zij naar het huis van Ingrid zou gaan.

Het politiebusje en Suzanne kwamen tegelijkertijd de straat ingereden.
Ingrid stapte uit en viel huilend in de armen van haar vriendin. Suzanne gaf de sleutelbos aan de agente die de deur openmaakte en ze liepen de woonkamer in.
De lampjes van de kerstboom stonden aan en voor het raam hing een neonlicht-sneeuwpop. Overal kerstversiering. Op het dressoir stond een Dickens kerstdorp met lampjes in de huisjes. Een schaatsend paartje draaide rondjes op de ijsbaan. Het leek zo misplaatst.
Ingrid liep naar de stekkerdoos en wilde alle stekkers eruit trekken maar Susanne hield haar tegen. “Niet doen, niet de moed opgeven.”
“Misschien is hij gevallen en door iemand meegenomen om een pleister te plakken.”
“Misschien ligt hij wel zwaargewond in het ziekenhuis?” Ingrid begon weer te huilen.
Ze hoorde de politieagente bellen in de keuken. Suzanne stond op van de bank en liep naar de keuken. Ze vulde het Senseo apparaat met water en begon koffie te zetten.
De andere politieagent vroeg aan Ingrid of ze een foto had van Sam. Ingrid liep naar het dressoir en haalde er een lijstje uit. Een foto van Sam met Wessel aan zee. Die was deze zomervakantie genomen. De agent wilde de foto uit het lijstje halen maar Ingrid wilde dat niet. De foto mocht niet beschadigen dus moest met lijst en al maar meegenomen worden.
De vrouwelijke agente kwam terug uit de keuken gelopen en zei dat alle ziekenhuizen in de omgeving gebeld waren. Er was geen kind van tien jaar op de Spoed binnengebracht.
Opgelucht haalde Ingrid adem om direct daarna nog verder in paniek te raken.
“Stel dat ze hem hebben meegenomen, O mijn god.”
De deurbel ging. Ingrid veerde op.
Suzanne ging open doen.
De huisarts kwam binnen.
“Hallo Ingrid, wat is er gebeurd?”
“Sam is kwijt, hij is niet op school aangekomen. Niemand heeft hem gezien.” Ingrid begon te hyperventileren. De huisarts deed zijn tas open en haalde er een spuitje uit en een flesje en verbandgaasje. Hij pakte de rechterarm van Ingrid, schoof haar trui omhoog en maakte een stukje huid schoon met het verbandgaasje. Toen volgde een prikje. Binnen enkele minuten daalde er een rust over Ingrid heen. Haar hartslag werd weer normaal en ze zakte achterover in de bank.
De telefoon ging en de politieagente liep naar de gang.
Toen ze terugkwam knielde ze voor Ingrid neer. “Mevrouw we hebben nieuws, Sam is gesignaleerd door een moeder rond negen uur bij het station. Onze patrouille is naar het station gereden en hebben een groene mountainbike van het merk Batavus in de fietsenstalling zien staan. Ze hebben er een foto van gemaakt, kunt u kijken of dit zijn fiets is?” Ze hield haar iPhone voor Ingrid. Ja dat was beslist de fiets van Sam. Er zat een sticker op van Ajax, zijn favoriete voetbalclub.
“Ja, dat is de fiets van Sam. Wat doet die op het station?”
“Dat gaan we nu uitzoeken” zei de agente die vervolgens opstond en een nummer intoetste. “Positief, ga de loketbeambte ondervragen en bekijk de camerabeelden.”

Suzanne zette een dienblad met koffie en koekjes neer op de salontafel.
“Ik ga even met Wessel naar buiten, ben zo terug” zei ze. “Blijft u nog even hier dr. Willems tot ik terugben? Het is wel fijn voor haar om een bekend gezicht bij zich te hebben.”
“Ja, dat is goed, ik kan nog wel even blijven,” zei de huisarts terwijl hij in zijn koffie roerde.

Wessel stond op toen hij Suzanne met de riem hoorde rammelen en sjokte achter haar aan. Zijn normale enthousiasme als de riem in beeld kwam, bleef uit. Alsof hij heel goed aanvoelde dat er iets niet in de haak was. Honden zijn hoog sensitief. Daar was Suzanne heilig van overtuigd.
Ze liepen links de straat in en Wessel volgde aan de voet. Hij plaste bij een boom en wilde direct weer terug naar huis. Maar Susanne trok aan de riem en stak de straat over naar het parkje.
In de bomen hingen lichtjes, het parkje was prachtig versierd. In het midden stond een kerststalletje met levende dieren. Ezels, schapen en een os. Susanne deed een schietgebedje voor het kribje met kindje Jezus. “Lieve Heer, laat Sam alstublieft ongeschonden weer terug komen, mijn vriendin heeft al genoeg verloren dit jaar.” Ze sloeg een kruisteken en was verbaasd over zichzelf van dit automatische gebaar. Als kind ging ze iedere week naar de kerk maar de laatste jaren alleen nog maar met feestdagen, met de kinderen om ze toch iets van het katholieke geloof bij te brengen ook al zaten ze op de openbare lagere school. Ze wist dat Ingrid op dit moment het geloof in God een beetje was verloren en daarom kon het geen kwaad dat zij een gebed had opgezegd.
Wessel trok opnieuw aan de riem, hij wilde pertinent terug naar huis.

Er stond een tweede politiebusje in de straat. Suzanne versnelde haar pas. Laat het niet waar zijn, laat er in godsnaam niets gebeurd zijn.
De deur vloog al open nog voor ze aangebeld had.
“Ze hebben hem gezien op de camera van het station,” zei Ingrid. “Hij is om 09.30 uur in de trein gestapt naar Antwerpen. De spoorwegpolitie heeft de beelden doorgeseind naar het Centraal Station en daar is hij ook gesignaleerd. Alleen. Wat moet mijn kleine ventje nou helemaal in zijn eentje in Antwerpen?”

Ingrid keek op haar horloge. Het was inmiddels 11.00 uur. Ze voelde zich een stuk rustiger nu ze wist dat hij niet door iemand meegenomen was. Het spuitje van de huisarts werkte inmiddels ook helemaal. Ze werd zelfs wat slaperig. De huisarts merkte dit op en stelde voor dat ze even op de bank ging liggen en legde een plaid over haar heen.
“Ik ga mijn ronde rijden Ingrid, bel maar als er nieuws is” zei hij. Hij pakte zijn dokterstas, sprak nog even met de politie en Suzanne en vertrok. De politiemannen van het tweede busje dronken hun koffie op en verdwenen ook, ze namen de andere agent mee. Alleen de vrouwelijke agente bleef achter bij Ingrid en Suzanne.
Ingrid was in slaap gevallen.
Susanne en de agente gingen in de keuken zitten waar de agente het hele verhaal te horen kreeg over Dirk, de man van Ingrid. De mobiele telefoon van de politieagente ging over, haar gezicht klaarde op. “Oké, ik zie jullie zo.”
“Hij is terecht, mijn collega’s uit Antwerpen zijn met hem onderweg. Ze hebben hem opgepikt toen hij terug kwam bij het station.” Ze keken de kamer in waar Ingrid nog steeds lag te slapen.
“Laat haar nog maar even slapen,” zei Suzanne opgelucht. In stilte dankte ze God voor de goede afloop.
Een kwartiertje later ging de deurbel. Ingrid veerde op en zag door het raam haar zoontje staan naast twee politieagenten. Ze struikelde over haar voeten toen ze naar de deur wilde lopen. Sam vloog naar binnen en huilend vielen ze elkaar in de armen.
“Sorry mama, ik heb er niet bij nagedacht dat je me kwijt zou zijn. Ik wilde alleen maar een cadeautje voor je halen want Simon had gezegd dat de kerstman niet bestaat en dat papa en mama de cadeautjes kopen. En wie moest er jouw cadeautje kopen nu papa in de hemel is. Kijk eens wat ik voor je heb” Hij gaf haar een doosje van Pandora en toen Ingrid het opende lag er een zilveren engeltje met twee kristalletjes in de vleugels te schitteren. “Zie je mama, zo is papa deze Kerst toch bij jou.”